Posts tonen met het label slager. Alle posts tonen
Posts tonen met het label slager. Alle posts tonen

zaterdag 12 april 2014

Tante Riet en de liefde

Een paar dagen geleden ervoer ik weer eens een historische sensatie. Via een verhaal op Het Geheugen van Tilburg kwam ik er achter hoe de man heette op wie mijn tante Riet verliefd was geweest.

Het verhaal over de motorrijder die verongelukt was had ik wel eens gehoord. De foto's in de nalatenschap van mijn tantes bewezen dat het verhaal op waarheid berustte. Alleen had ik geen naam. Nu wel.

Hoe tragisch is het als twee zussen allebei hun verloofdes verliezen doordat ze jong overlijden. Zus Regine verloor haar verloofde aan tuberculose en mijn tante Riet haar verloofde door een motorongeluk. Beiden bleven daarna hun hele leven vrijgezel.

Mijn tante Riet is geboren op 24 april 1909. Zij was een vrolijke tante. Letterlijk. Ze kon meedoen en ze bezat een sympathieke vrijheid van denken. Ze was geen denker, maar ze genoot waar ze van kon. Voor zover ik haar kende. Kwa opleiding is ze niet zo ver gekomen. Ik heb alleen een diploma machineschrijven in mijn bezit. Ze was wel een vakvrouw die het vak van slager via haar vader had meegekregen. Jarenlang ging ik op vrijdag vlees halen bij slagerij Heldens in de Heuvelstraat waar tante Riet werkte. Ze heeft ook bij slager Lejeune in de Willem II-straat gewerkt. Daar ben ik ook wel eens geweest. Verder was ze actief met haar zuster Regine in de missienaaikring. Regionaal Archief Tilburg bezit een film van een fancy fair (vanaf 9:54 een paar seconden, de vrouw in de zwart-witte jurk die lachend in beeld komt) waar ze op te zien is.

Tante Riet woonde samen met haar zus Regine. Eerst in het ouderlijk huis aan de Enschotse straat, later in Residence De Noordhoek. Ik heb nooit met haar gesproken over relaties of waarom ze niet was getrouwd, Dat deed je niet. Ze had een vrolijke optimistische houding. Ze dronk graag een biertje of borreltje en heeft volgens mij haar hele leven een hondje gehad. In mijn tijd was dat een pinkstertje (in mijn herinnering maar officieel is het geloof ik een pinscher) dat ik niet bepaald een aantrekkelijk beest vond. De kanarie in de kooi hoorde ook bij de huisdieren. Ik heb meerdere foto's waarop zij te zien is met een hond op schoot of in de directe nabijheid. Wat ik me nog aan uitdrukkingen kan herinneren is eigenlijk alleen nog maar een waar het over "dè manvolk" ging. Alsof je daar maar beter uit de buurt kon blijven. Dat pastte wel in mijn beeld van een vrijgezelle dame.

Nu ben ik er achter gekomen dat zij 18 dagen voor haar 30ste verjaardag haar verloofde is kwijtgeraakt, een jaar voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog. Misschien is dat de reden dat er nooit meer een andere man in haar leven is gekomen die ook is blijven hangen. Hij heette Wim de Bakker en was eigenaar van de Motorhut in de Gasthuisstraat (nu Gasthuisring). Ik heb meerdere foto's van hem op zijn motor en portretten van hem. Ze staan in deze blogpost. De overledene was verloofd met mej. de Br. uit de Tuinstraat volgens een uitgebreid artikel met een ooggetuigenverslag van het ongeluk en zijn overlijden. Eigenlijk schokkend dat 75 jaar na dato, want het gebeurde op 6 april 1939, de toedracht duidelijk wordt en ik de naam vind van deze man.

Ik heb nog het persoonsbewijs van tante Riet met daarop een vier- of vijftal namen waarvan er twee nog goed te lezen zijn: Duffy, Macklay. Waarschijnlijk bevrijders die in de slagerij in de Tuinstraat ingekwartierd waren. Dus helemaal afkerig van mannen was ze blijkbaar niet... :)

Twee zussen met een gedeeld verdriet. Dat kan niet anders. Het verklaart in ieder geval waarom ze het goed met elkaar konden vinden en zo ontzettend lang bij elkaar zijn blijven wonen. De derde vrijgezelle zuster was van een ander kaliber. Dat botste, zeker met tante Riet.
Mijn tantes Riet en Regine waren allebei aardig, zachtaardig. Nooit geweten wat hun leed was, ze hadden het er nooit over, zeker niet met mij, veruit de jongste neef die ze hadden.

Ik ben blij dat ik dit verhaal alsnog heb kunnen vastleggen. Dat schept, zelfs vele jaren na haar dood (ze overleed op 11 september 1989), nog een band.

zondag 15 april 2012

Een slagerij bouwen in 1905

Mijn grootvader Bernardus de Brouwer (2 maart 1878 - 29 januari 1961) koos een ander beroep dan zijn broers en zuster. Die gingen als arbeider aan de slag in verschillende bedrijven in Tilburg of gingen de horeca in. Bernard de Brouwer koos voor het beroep van slager.

Zijn opleiding kreeg hij bij diverse slagers in de omgeving. Hij vertrok op 26 februari 1897, 19 jaar oud, naar Dongen. Daar staat hij ingeschreven vanaf 29 maart 1898 bij slachter Wilhelmus van der Put. Die had zijn winkel op de Hoge Ham. In het bevolkingsregister van Dongen staat geen beroep bij de inschrijving van Bernard de Brouwer. Van Dongen vertrok hij naar Oisterwijk op 20 december 1899. Daar woonde hij bij slager Johannes van Beugen op het Kerkeind. Hier staat zijn beroep wel vermeldt: slager. Blijkbaar had hij al genoeg ervaring om die beroepsnaam te mogen dragen. Op 4 april 1900 ging terug naar zijn vader in Tilburg. In Tilburg werkte hij een tijdlang bij slager Herculeijns.

Toen het tijd werd om op eigen benen te staan wilde hij een eigen slagerij starten. of dat zijn eigen initiatief was of dat hij geïnspireerd was door zijn aanstaande vrouw is niet bekend. Uit de overlevering is wel bekend dat mijn opa geen zakenman was. Een prima slager, maar slecht in het tevreden houden van de klant. Zijn vrouw was daar veel beter in en samen vormden ze daarom een prima stel.

Johannes Cornelis de Brouwer
Johannes Cornelis de Brouwer.

Hoe nu verder? Een eigen slagerij starten was geen sinecure. Mijn voorouders waren geen kapitaalkrachtige mensen en het kopen van een pand vereiste wel geld. Mijn opa had geen eigen middelen en moest een beroep doen op het gezinskapitaal. Hoe dat precies is gelopen, dat weet ik niet. Uit de documenten wordt wel enigszins duidelijk dat het gezin van mijn overgrootvader Johannes Cornelis de Brouwer de kosten moest opbrengen. Mijn opa was derde in de rij kinderen. De meesten woonden nog thuis. Mogelijk dat hun gezamenlijke inkomen de noodzakelijke zekerheid bood om het riciso te dekken.

In 1904 moet het plan om een eigen slagerij te gaan bouwen zijn ontstaan. Op 17 januari 1905 verklaarde P.J. Jongbloets, agent in assurantieën, dat hij had verkocht aan Jan de Brouwer (...) een bouwterrein hoek Tuin en Telephoonstraat, voor een bedrag van 2400 gulden. Het daadwerkelijke transport moest plaats vinden voor of op 15 februari van dat jaar. Het was Johannes Cornelis de Brouwer die de grond kocht en daarmee opdraaide voor de kosten. Het transport vond plaats op 13 februari. De koopsom bedroeg echter slechts 1950 gulden. Waarom dat verschil? In de koopakte staat een voorwaarde genoemd, namelijk dat de nieuwe eigenaar op het perceel de eerste 50 jaar geen koffiehuis of herberg mochten beginnen. Gebeurde dat toch dan moeten ze de verkoper alsnog 500 gulden betalen. Deze voorwaarde komt ongetwijfeld voort uit het feit dat de verkoper, Jongbloets, zijn eigen huis had gebouwd naast het verkochte perceel. Hij had geen behoefte aan rumoerige buren.

Kwitantie
Kwitantie voor Johannes Cornelis De Brouwer. 1905.


Het terrein waar deze bouwgrond lag maakte deel uit van de Heuvelse Akkers, een landbouwgebied dat na de komst van het station in 1863 geleidelijkaan is volgebouwd. De bebouwing vond plaats deel uit particulier initiatief en deels geleid vanuit de gemeente Tilburg. Ik heb er 1991 een artikel over geschreven samen met Joost van Hest.
Deze bouwgrond maakte eerder deel uit van de siertuin die hoorde bij de villa van fabrikant Bogaers aan de Willem II-straat. Het was zo'n beetje het laatste perceel in het hele gebied dat nog leeg was. Dus mijn opa koos een prima plaats in deze "nieuwbouwwijk", nieuw publiek met een zeker welstand. Dat bood voldoende perspectief maar betekende ook dat je een klantenkring moest opbouwen.

Blauwdruk Tuinstraat 58
Blauwdruk van het pand dat mijn opa liet bouwen. 1905.

De grond was aangekocht, nu nog een slagerij, rokerij en woonhuis erop. Dat kostte opnieuw geld. Deze keer moest het geld ergens anders vandaan komen, maar het bleef nog steeds binnen de familie. Adrianus J.F. de Brouwer, onderwijzer, en neef (oomzegger) van Johannes Cornelis de Brouwer, financierde de bouw. Voor notaris Vroemen in Udenhout werd dat geformaliseerd op 23 augustus 1905. De lening bedroeg 4200 gulden. Het bouwterrein aan de Tuinstraat diende als onderpand. De rente op de lening bedroeg 4,25%.
Een andere hindernis was de vergunning. Niet alleen de bouwvergunning, maar ook de vergunning om een slagerij en rokerij te mogen oprichten en het bedrijf te mogen uitoefenen. De ambtelijke molen draaide zoals het hoorde en de toestemming verkreeg mijn opa op 16 september 1905. Elf dagen later trad hij in het huwelijk met Elisabeth Hovers.

Deuropening Tuinstraat 1958
Mijn vader en mijn oma in de deuropening van de slagerij met een beetje inkijk in de winkel. 1933.


Het woonhuis met slagerij en rokerij had een verdieping! Mijn vader sprak steeds van die verdieping omdat dat in de overlevering van de familie iets bijzonders was. Voor Tilburg was dat ook bijzonder, maar het was een voorwaarde om in dit nieuwe woongebied te mogen bouwen. Het pand staat er nog steeds maar een slagerij zit er tientallen jaren niet meer in.

Voorwaarde voor de geldlening was een verzekering. Johannes Cornelis de Brouwer sloot als eigenaar een verzekering af voor 5000 gulden op het nieuwe pand. Eigenlijk zijn het twee panden, het winkel-woonhuis en de slagerij die los van het huis stond. Het winkel-woonhuis was verzekerd voor 4500 gulden en de slagerij voor 500 gulden. Beide bedragen werden in 1919 verhoogd tot respectievelijk 9000 en 1000 gulden. Een verdubbeling dus. De premie bedroeg vanaf die datum fl. 10,50. In 1921 nam Bernard de Brouwer het eigendom over en daarmee moest de polis door hem worden overgenomen. Opnieuw werd de waarde van beide panden verhoogd, nu tot 13000 gulden voor winkel-woonuis en 2500 gulden voor de slagerij. Daardoor was de waarde van het pand in 16 jaar tijd meer dan verdrievoudigd.
BCJ de Brouwer, zoon Frans en een prijskoe
Bernard de Brouwer (rechts), zoon Frans (voorgrond) en een prijs(?)koe. ca. 1920.

Bernard de Brouwer had zelf een inboedelverzekering afgesloten voor deze panden op 26 februari 1906. De polis liep bij dezelfde maatschappij: de BrandverzekeringsMaatschappij Holland. Pikant detail: de verkoper van de grond, Jongbloets, was de vertegenwoordiger van deze verzekeringsmaatschappij. De inboedel bestond uit een waarde van 5 gulden voor boeken, 50 gulden voor juwelen e.d., 200 gulden beddegoed etc. De inboedel van de slagerij bestond o.a. uit 200 gulden voor slagersgereedschappen. De totale verzekerde waarde bedroeg 1450 gulden. De inboedelverzekering werd in 1921 verhoogd naar 7000 gulden en in 1929 tot maar liefst 9500 gulden. Slager de Brouwer raakte in goeden doen.

Bernard de Brouwer heeft tot na de Tweede Wereldoorlog de slagerij uitgebaat. Daarna nam zijn zoon Frans de zaak over.