maandag 13 juli 2026

De Tongerlose hoeven in Udenhout

Misschien kent u de Tongerlose hoeve in Tilburg. Een restant van een sterke verbondenheid tussen de parochie Tilburg en de Norbertijnenabdij van Tongerlo. Veel minder bekend is dat er in Udenhout drie Tongerlose hoeven hebben gelegen. Die onbekendheid is op zich niet zo vreemd aangezien die hoeven al ruim 400 jaar geleden in andere handen overgingen. De drie hoeven lagen respectievelijk op de plaats van de ontmantelde molen aan de Loonse Molenstraat, de "Gele Hoef" aan de Waalwijkse weg en de hoeve Waalwijkseweg 8. Dit stukje Udenhoutse geschiedenis is het onderwerp van het onderstaande artikel.
De abdij van Tongerlo anno 2001
De hertog van Brabant kreeg in de eerste helft van de 13de eeuw steeds meer greep op het oostelijk deel van de huidige provincie Noord-Brabant. Het gebied rond Tilburg en Oisterwijk raakte omstreeks 1223 stevig in zijn bezit. De nieuwe bestuurlijke indeling van het gebied maakte 's-Hertogenbosch tot hoofdstad van dit deel van Brabant. Er kwam een onderverdeling in vier kwartieren. Oisterwijk ontving van de hertog rond 1230 stadsrechten en kreeg de status van hoofdplaats van het kwartier van Oisterwijk. Daarmee kreeg het gebied rondom Oisterwijk de mogelijkheden om zich te ontwikkelen. Udenhout viel onder het rechtsgebied van Oisterwijk.
Om zijn nieuw verworven gebieden tot economische groei te brengen gebruikte de hertog van Brabant onder meer de kloosters in zijn hertogdom.

Tongerlo verwerft bezit in Udenhout
De abdij van Tongerlo ontving van hertog Hendrik I in 1232 het recht van houtkap in stukken van het bos van Udenhout. Welke gedeelten dat precies waren is niet duidelijk. Op de valreep van de 13de eeuw in 1299 (of 1290, hierover spreken de bronnen elkaar tegen) ontving Tongerlo van hertog Jan II ook nog eens acht hoeven land om te ontginnen. We weten niet waar die hoeven gelegen hebben, evenmin of de hoeven een aaneengesloten stuk grond vormden. Overigens, de hertog deed niet aan liefdewerk, de abdij moest uit deze schenking wel een jaarlijkse cijns van 12 schellingen voor elke hoeve betalen.
 
De term "hoeve" betekent hier niet een volledig uitgeruste boerderij maar was een vlaktemaat. Nieuw land dat men wilde ontginnen werd ge"hoefslaagd". Men deelde een omvangrijk terrein in door de percelen letterlijk af te palen en te verdelen in hoeven. Een hoeve noemde men in het latijn een mansus terre, vertaald een hoeve lands. Het perceel moest zo groot zijn dat een huishouden er van kon leven. Een hoeve kende verschillende soorten grondgebruik. Het akkerland was vanzelfsprekend nodig voor de graanbouw. Weilanden en beemden voor het vee en het hooi. Het vee was onmisbaar vanwege de voortdurende noodzaak om het land door bemesting vruchtbaar te houden. De mest van het vee dat in de stal stond, vermengde de boeren met allerlei rouware of straaisel. Dat haalden ze van de heivelden, onder de heggen, uit de sloten en elders van het land. Er was hout nodig voor de stookplaats, het bakhuis, voor het onderhoud aan huis en haard, voor de omheiningen. Turf was nodig als brandstof, stro als dakbedekking. Het kwam maar zelden voor dat al het land van een hoeve aan elkaar lag. In Udenhout lagen b.v. de moervelden voor de turfwinning vooral in en rond de Brand. Aan geschikt weiland ontbrak het nogal eens, zodat nogal wat hoeven hooibeemden bezaten in het poldergebied bij Waalwijk.

Tongerlo maakt zijn bezit productief
Op 4 mei 1306 maakt de abdij van Tongerlo het bezit in Udenhout te gelde.
Diederik van de Venne koopt 24 bunder bij het bos (
iuxta quoddam fossatum) en
Henrick Toyte 12 bunder in Aschhout. Zij moeten die grond ontginnen en er gebouwen op plaatsen. Diederik betaalt jaarlijks een cijns (vergoeding in geld) van 14 pond zwarte tournooisen en 12 kapoenen en Henrick 10 zwarte tournooisen. 
herede H(er)ma(nn)ij Ve(n)ma(n) xiiii lib. ant. xii cap.
De erfgenamen van Herman staan in het cijnsboek van 1362 ingeschreven voor een bedrag van 14 (xiiii) ponden (lib.) en 12 (xii) kapoenen (cap.) net als hun voorvader Diederik van de Venne.
Op dezelfde dag krijgt Jan Lumbart van Berkel de helft van het bos van Udenhout voor een periode van 4 jaar. Hij verkrijgt het recht om daar hout te kappen. Daarna komt het weer in handen van de abdij.
Behalve de hertog dragen ook particulieren delen van hun bezit over aan de abdij van Tongerlo. Met name in het begin van de 14de eeuw breidde Tongerlo zijn bezit op die manier uit. Zo verkocht Jan Blonde uit Waalwijk op 30 oktober 1309 een erfpacht van 29 1⁄2 mud en lopen rogge uit 3 1⁄2 hoeven in Udenhout aan de abt van Tongerlo. Hij had vier hoeven in het bos van Udenhout drie jaar eerder gekocht. In september 1316 verkocht Albertus Vette grond aan Tongerlo. De 5 dochters van Johannes Back deden hetzelfde in december van dat jaar.
In 1314 verkocht de abdij van Tongerlo weer 35 bunder uit haar groeiende bezit in Udenhout aan 12 particulieren. Deze percelen waren belast met een erfelijke cijns die eeuwenlang te volgen is in de cijnsregisters van het abdijarchief.
Cens(us) in Udenhout f(e)rie sec(un)da p(os) purific(atione)
Kop van de cijnsen van Udenhout in het scijnsboek van Tongerlo dat begon in 1375.
De hoeven in Udenhout
Uit dit verworven bezit ontstonden de drie hoeven in Udenhout die de abdij verpachtte. Volgens de bronnen liggen twee ervan steevast op Udenhouts grondgebied terwijl de derde de ene keer onder Loon op Zand en dan weer onder Udenhout valt. Later zal blijken waarom: de helft van de landerijen lag op het grondgebied van Loon op Zand.
De belasting op haardsteden (plaatsen waar je vuur mocht stoken) is al oud. Een register van
Schouwen, heersteden, oovens, furnuysen, smissen etc. uit de 16de eeuw vertelt ons dat de twee hoeven in Udenhout verpacht waren aan Willem Zeghers en Wouter Henricsz. De hoeve onder Venloon (de oude naam van Loon op Zand) had Peeter Gherits als pachter. Een bijlage bij dat register bevat een redelijk gedetailleerde beschrijving van de vuurplaatsen.
De hoeve van Willem Claes Zeghers had eenen ronden heert ende den back ooven staende buijten den huijse in een huijske met een steenen pijp vuijt roeckende. Omdat de bakoven veel in gebruik was betaalde hij dubbel. Dat kostte hem 2 rijnsgulden.
De hoeve van Wouter Henricsz had eenen ronden heert ende eenen back oven staende in een huijsken buijten den woenhuijse. Daarvoor betaalde hij 1 1⁄2 carolusgulden.
Bij de hoeve van Peeter Gherits was het weer anders. Die had eenen ronden heert ende eene scoorsteen op die camer ende den back ooven roekende doer een steenen pijp vuijt wat hem ook 2 rijnsgulden kostte.
Een opgave van de Udenhoutse hoeven uit 1554 ten behoeve van de inning van de 10de en 20ste penning vertelt ons wat meer over de grootte. Overigens lag de hoeve van Peeter Gherits, die nog steeds pachter was, nu weer in Udenhout. Zijn pachtsom bedroeg 18 mud rog, 6 rijnsgulden, en 12 el laken. Wouter Henricsz had een vergelijkbare hoeve want hij betaalde 16 mud rogge, 16 rijnsgulden en 12 el laken.
Willem Claes Zeghers was het goedkoopst uit: hij betaalde 8 1⁄2 mud rogge, 4 rijnsgulden en ook 12 el laken.
De strook land langs de Asschotse steeg met daarbij
in zwart de percelen die bij de Tongerlose hoeven horen.

Later in de 16de eeuw komen we uitgebreide beschrijvingen tegen van deze hoeven. De verschillende percelen en hun ligging staan behoorlijk nauwkeurig beschreven. De hoeve van Claes Willems (zeer waarschijnlijk de zoon van Willem Claes Zeghers) het was normaal dat kinderen van een pachter bij overlijden van hun vader de pacht overnamen en voortzetten) bestond uit een huis en schuur met een hof, rogland, weiland en heivelden met een totale oppervlakte van 5 1⁄2 mudzaad. Deze landerijen lagen aan elkaar aan de Houtse straat. Daarnaast lag er nog zo'n 20 bunder land verspreid over Udenhout (o.a. een weiland in den Cuijlen en een hooiveld in den Asschot) en Tilburg. Jan de Meijer pachtte de andere hoeve. Deze hoeve bestond ook uit een huis en schuur, erf en hof. Direct bij de hoeve liggen nog 31 lopen akkerland en 6 lopen weiland. Verderop lag nog ongeveer 20 bunder in Udenhout (o.a. dosseweij, den langen hoff en een beemd genaamd dascot) en heivelden in Tilburg. Beide hoeven hadden (hooi)beemden in den Asschot of dascot. Hierin herkennen we de naam Asschout die genoemd staat bij de verpachting van 12 bunder aan Hendrik Toyte van Berkel in 1306. Daaruit blijkt dat de hoeven zeer waarschijnlijk na de verwerving zijn uitgebreid met deze beemden aan de Asschotse steeg.
De derde hoeve wordt gesitueerd in Loon op Zand maar de belendingen duiden op Udenhout. De pachter was toen Peter Aerts als opvolger van Gijsbert de Meijer. De percelen in Udenhout besloegen 20 bunder met nog hetzelfde oppervlak in Loon op Zand.
De ligging van de 3 (later 4) hoeven van Tongerlo aan de Loonse Molenstraat (kadasternummers A 427 en A 431 en de Houtse straat (kadasternummers F 243 en F 329 op basis van de kadasterkaart van 1832.

De pachters
Een pachtcontract uit 1576 geeft ons een kijkje in het leven van de pachter en vooral de verplichtingen waar hij zich aan moest houden. De pachter, dat was toen Marcelis Cornelis Otten uit Hilvarenbeek als opvolger van Willem Claes Zeghers, pachtte de hoeve voor een periode van 6 of 12 jaren. We bevinden ons dan in de periode dat de abt van Tongerlo tevens bisschop van 's-Hertogenbosch was. Dat zien we ook terug in de verplichtingen van de pachter.
Familie van de Brand bij de oude Geel Hoef.
Achterste rij: Mina met Rika op de arm, moeder vd Brand-van Gaans, Anna en Nellie.
Zittend: Sier, Kees, Marie, Piet, Giel en Toon.
Vader Jan vd Brand den zoon Ko staan niet op de foto want die waren op het land
De pacht bedroeg in totaal 14 mud rogge die de pachter op lichtmis (2 februari) moest leveren in het huis van de abdij in 's-Hertogenbosch. Kon de pachter niet aan deze verplichting voldoen, dan werd zijn boete bepaald aan de hand van de marktprijzen van de markt in mei daaropvolgend. Hij moest ook stro leveren aan de bisschop van den Bosch.
Het was gebruikelijk dat de veestapel voor de helft aan de pachter toebehoorde terwijl de andere helft van de verpachter, in dit geval de abdij van Tongerlo, was. Ieder jaar legde de pachter verantwoording af aan de abdij over het reilen en zeilen van de hoeve. In het contract lag vast dat hij dan minimaal in het bezit was van zes koeien, vier trekossen, twaalf runderen, vier kalveren, negentig schapen en drie paarden. Het valt op dat de varkens ontbreken. Nu telt Noord-Brabant een enorme varkenspopulatie maar in de 16de eeuw mocht een pachter zelf kiezen voor het houden van varkens. In het pachtcontract was wel vastgelegd dat het houden van de varkens niet ten koste mocht gaan van de rest van de veestapel.
Er stonden ook boetes op het ontbreken van beesten. Een kalf te weinig kostte de pachter 25 stuivers en een schaap te weinig kostte 20 stuivers. Voor de overige beesten bepaalde de marktprijs van dat moment de boete.
Molenaar Teurlings van de molen
 in de Loonse Molenstraat
Voordat hij de schapen mocht scheren, moest de pachter de rentmeester van de abdij laten komen. De opbrengst verdeelden ze samen.
Het was de pachter ook verboden om
ennich hoeij, stroo, ghers, heijde oft andere rouware te verkopen of te ruilen. Alles moest ten goede komen aan de eigen veestapel of de gebouwen.
Het pachtcontract verbood de pachter om andere beesten te houden op de hoeve of meer land te bewerken dan dat bij de pachthoeve hoorde. Hij mocht ook geen land van de pachthoeve onderverpachten of uit handen geven.
De pachter was verplicht om alles in goede staat te houden. Dat gold niet alleen voor het huis en de andere gebouwen, maar ook voor de sloten, de wegen, de houtwallen, de hekken en dijken. De kleine reparaties aan huis en gebouwen kon de pachter meteen laten uitvoeren. Hij kreeg de gebruikte materialen van de abdij terug of vergoed. 

Als de pachter nieuwe gebouwen wilde zetten kreeg hij, na goedkeuring, ook het hout en het ijzer van de abdij. Tweemaal per jaar moest hij zich verantwoorden, anders kreeg hij geen vergoeding voor de gemaakte onkosten. Als er sprake was van grooten hagelslach of heirvaerden (legers die door het land trokken) wilde de abdij binnen drie dagen daarover ingelicht worden en de schade betaalden ze samen.
Het opgaande hout op de hoeve stond niet vrijelijk tot de beschikking van de pachter en ook aan het hakken van schaarhout waren voorwaarden verbonden. Hij moest jaarlijks 50 eiken heesters planten. 
Bij het verlaten van de hoeve aan het eind van de pachttijd verplichtte de pachter zich om een goede mestvaalt achter te laten. Hij mocht zijn beesten na 31 maart niet meer weiden op de hooibeemden. Ten slotte was de pachter verplicht om twee of drie keer per jaar op de abdij van Tongerlo te gaan werken met paard en wagen en vijf of zes keer bij de bisschop in 's-Hertogenbosch.
De in 1868 gebouwde molen in de Loonse Molenstraat hier nog met wieken.

Tongerlo verliest zijn Udenhoutse hoeven
De geloofsconflicten die in de loop van de 16de eeuw steeds grotere vormen aannamen hadden grote gevolgen voor de abdij van Tongerlo. In een poging om de invloed van buitenaf tegen te gaan wilde koning Filips II komen tot een nieuwe indeling van bisdommen in de Nederlanden. Viel het gebied van de Nederlanden tot 1560 deels onder het bisdom van Keulen en deels onder dat van Luik,  onderhandelingen met de paus leidden er toe dat er een geheel nieuwe verdeling kwam.
Één van die wijzigingen betrof de oprichting van het aartsbisdom Mechelen met o.a.
een bisschopszetel in 's-Hertogenbosch. Formeel startte het bisdom 's-Hertogenbosch op 11 maart 1561 onder leiding van de eerste bisschop Franciscus Sonnius. Om deze nieuwe bisschop van inkomsten te voorzien lijfde Filips II de abdij van Tongerlo in bij het nieuwe bisdom. De bisschop van 's-Hertogenbosch werd tevens abt van Tongerlo. De monniken waren het helemaal niet eens met deze
beslissing. Zij kozen al eeuwenlang een abt uit hun midden en nu was dat recht hun ontnomen. Bovendien zouden de inkomsten van de abdijgoederen nu nog maar ten dele ten goede komen aan hun eigen abdij. Het terugwinnen van hun zelfstandigheid werd de inzet van een strijd die duurde tot 1590. Op 25 augustus van dat jaar kwamen de onderhandelaars tot een vergelijk met de toenmalige bisschop Clemens Crabeels waardoor het bisdom en de abdij weer los van elkaar kwamen te staan.

Daarbij verloor Tongerlo wel een aanzienlijk deel van zijn bezittingen in het bisdom 's-Hertogenbosch, waaronder de hoeven in Udenhout. Die kwamen nu in bezit van de bisschop van 's-Hertogenbosch en de bronnen spreken vanaf dan van bisschopshoeven. Tijdens de regering van bisschop Metsius (1570-1577) kregen de drie Udenhoutse hoeven een zware beproeving te verduren. In de strijd tussen de opstandige gewesten en Spanje staken de Geuzen de drie hoeven in brand.
De huidige molen in de Loonse Molenstraat zonder wieken.
Lang zijn de Udenhoutse hoeven niet in handen van de bisschop gebleven. In 1629 veroverde Frederik Hendrik 's-Hertogenbosch definitief op de Spanjaarden. Bisschop Michael Ophovius ondertekende de overgave van de stad op 14 september van dat jaar. Het betekende voor hem dat hij in ballingschap moest gaan. De nieuwe regeerders weerden alles wat paaps was uit de stad. De bisschoppelijke goederen buiten de stad bleven aanvankelijk in bezit van de bisschop terwijl de bezittingen in de stad in handen kwamen van de rentmeester van de geestelijke goederen. Na het overlijden van bisschop Ophovius in Lier op 4 november 1637 maakte rentmeester Pieter Schuijl van Waldhoorn aanstalten om ook de goederen in de provincie onder zijn beheer te brengen. De Staten Generaal floot hem echter terug met een resolutie van 17 februari 1639 en gaf het beheer van die bezittingen in handen van Jan van den Heuvel en Laurens van Loemel, voormalige rentmeesters van de bisschop. De Raad van State, belast met het bestuur over de bezette katholieke gebieden en daarom ook de baas van rentmeester Pieter Schuijl klom meteen in de pen. Op 18 maart schreef de Raad van State een brief naar de Staten Generaal waarin zij verklaarde niets te begrijpen van het besluit de ontfanck aen vreemde luijden te
betrouwen, die van andere gesintheijt sijn, die domestijque dienaers geweest sijn, vanden Bisschop, ende consequentelijck niet genegen tot desen Staet
Hun bezwaar sneed blijkbaar hout want de Staten Generaal besloot op 9 juli 1639 dat de goederen onder beheer van rentmeester Schuijl kwamen. Op dat moment kwamen de drie bisschopshoeven in Udenhout onder beheer van deze rentmeester en feitelijk in handen van de republiek der Verenigde Nederlanden.

Verkoop aan particulieren
De Raad van State ging enkele jaren na de vrede van Munster in 1648 over tot de verkoop van een groot aantal hoeven die in zijn bezit waren gekomen door de confiscatie van bezittingen van de katholieke kerk. De Raad van State wilde deze landerijen te gelde maken en ging daarbij niet over één nacht ijs. Om de publieke verkoop tot een succes te maken was het van belang de hoeven te bezoeken om op basis daarvan een goede taxatie te krijgen. Er kwam een boekje met de verkoopvoorwaarden en een aanplakbiljet met een nauwkeurige opgave van de afzonderlijke hoeven, om daarmee kopers te interesseren.
Zo gebeurde het dat op 17 oktober 1658 de heeren Cant, Van Loo en Van Beverningh, als gecommitteerden van de Raad van State, een inspectietocht hielden o.a. naar de te verkopen geestelijke goederen in Udenhout. In hun verslag staat:
van daer (Tilburg) voorts gereden op Udenhout, ende aldaer inspectie genomen
vande twee hoeven beseten bij Hubert Jans Piggen ende bij de weduwe van Jacob
Marcelis; waer mede dien dagh ten avont gebracht wesende sijn heel laet gearriveert
binnen shertogenbosch
. Ze beschreven keurig de staat waarin de Udenhoutse hoeven zich bevonden.

In de omgeving van de huidige Geel Hoef vlag een hoeve van Tongerlo.

De hoeve van Huibert Jan Piggen, gelegen aan de Houtse straat, had een heel vervallen huise ende schuer, 150 off 200 boomen maer seer dun ende onbequam tot timmerhout en het land meest bijeen. De hoeve van de weduwe van Jacob Marcelis, eveneens aan de Houtse straat, was er niet veel beter aan toe: Vervallen huijs ende schueren, seer weijnigh hout en tlandt meest bij malcanderen.
In datzelfde jaar 1658 gingen de twee hoeven aan de Houtse straat in de verkoop.
De koper was baron Willem Vincent van Wittenhorst. De hoeve van pachter Huijbert Jan Piggen leverde de staatskas 8.300 gulden op en de hoeve van de weduwe Jacob Marcelis bracht 6.200 gulden in het laatje. De aantekeningen van de rentmeester laten zien dat baron van Wittenhorst dit bedrag in drie termijnen betaalde op 1 mei 1659, 1 november 1659 en op 1 mei 1660.

In deze omgeving aan de Loonse Molenstraat lag een Tongerlose hoeve. 
In 1664 ging de derde hoeve, gelegen aan de Loonse Molenstraat, ook van de hand. Volgens het inspectierapport bestond de hoeve van pachter Steven Wouter Stevens uit een huijs, koijestal annex, verckenscot ende backhuijs, ende bij den hoevenaer aenvaert met de halve schaer, ende was de huijsinge in redelijcke reparatie, sulcx dat den hoevenaer daer over niet en claegde en landerijen van in totaal 34 bunder.
Het hout op deze hoeve staat heel nauwkeurig opgesomd:
26 opgaande boomen, sommige
stijff 1 voet ende de andere wat minder
38 jonge opgaende eijcxkens van 4 a vijff duijm
59 eijcke opgaende boomen waervan 7 a 8 dick waren stijff een voet sommige
minder ende sommige 4 a 5 duijm

60 bercxkens ende 12 crotachtige boomen eenige plantagie van jonge bercken wel
wassende, eenigh 2 jarigh schaerhout, 5 a 6 jarigh schaerhout

2 rijpe eijcke boomen een quart heer ter bosken niet wel wassende
120 opgaende eijcke boomen, het meerendeel van dien van 5 a 6 duijm oock eenige
swaerder, noch diverse jonge boomen met eenige quade crodden, schaerhout van
drie ende 4 jaren out
.
Ook in deze omgeving van de Waalwijkseweg lag een hoeve van de abdij van Tongerlo.

Steven Wouter Stevens verklaarde tegenover de inspecteurs dat hij niet in staat was om al zijn land te bewerken. Zij stelden dan ook voor om de hoeve te splitsen in twee afzonderlijke hoeven zodat die meer geld zouden kunnen opbrengen. Maar dat liet de Raad van State over aan de nieuwe eigenaars: de broers Adriaen en Jan van der Meijden. Zij betaalden de som van 12.000 gulden voor deze hoeve.

De nieuwe eigenaars splitsten de hoeve aan de Loonse Molenstraat en die twee hoeven gingen in de 18de eeuw over in Udenhoutse handen. De twee hoeven in de Houtse straat bleven tot na 1832 in "vreemde" handen. Pas in de loop van de 19de eeuw kwamen ze in bezit van Udenhouters. Daarmee verdwenen de sporen van dit oude bezit van de abdij van Tongerlo definitief uit het geheugen. 

Misschien dat de keuze voor de naam Tongerloplein bij nader inzien een hele goede is geweest.

Gebruikte bronnen:
Ambr. Erens, O. Praem., Tongerloo en 's Hertogenbosch; de dotatie der nieuwe bisdommen
in Brabant 1559-1596, (Tongerloo, 1925)
Mechelien Spierings, De rol van de abdij van Tongerlo bij het ontstaan van het dorp
Udenhout, in: De Kleine meierij, jrg. 40, nr. 2, pp 51-56.
Prof.em.dr. R. van Uytven (red.) et al, Geschiedenis van Brabant van het hertogdom tot
heden, ('s-Hertogenbosch)

Brabants Historisch InformatieCentrum in 's-Hertogenbosch:
Archief van de ontvangers der belastingen en rentmeesters; inv.nrs. 127, 183.

Nationaal Archief in Den Haag:
Archief Raad van State; inv.nrs. 2156-II, 2156-III, 2157.

Abdij-archief van Tongerlo:
Sectie II register 284 en 285 (verpachtingen van de hoeven).

Regionaal Archief Tilburg:
Schepenbank Oisterwijk, inv.nr. 466, transport van 11 november 1716.
Dorpsbestuur Udenhout; inv.nrs. 106-118 (verpondingskohieren).

Stadsarchief 's-Hertogenbosch:
Bosch protocol, inv.nr. 1592, transport van 13 december 1659.

[Dit artikel is eerder veschenen in 2005 in Sprokkels 3.]

dinsdag 30 juni 2026

Lieve Vrouwe Broederschap van Den Bosch - Leden uit Udenhout en Biezenmortel

Geschiedenis van de Lieve Vrouwe Broederschap 

Het Zwanenbroedershuis in de Hinthamerstraat 
in 's-Hertogenbosch. 
Deze neogotische gevel is gebouwd in 1846.

In de Bossche St. Janskerk was in de middeleeuwen een groep mensen betrokken bij de opluistering van de Mariadiensten in de kerk. In 1318 verenigden zij zich officieel in een Mariabroederschap: de Lieve Vrouwe Broederschap. De toevoeging "Illustre" kreeg de broederschap pas na 1650. Deze broederschap kreeg officiële statuten en daarmee de goedkeuring van de bisschop van Luik. De stad 's-Hertogenbosch maakte in de middeleeuwen deel uit van het bisdom Luik tot de oprichting van het bisdom 's-Hertogenbosch in 1559. De broederschap was klein van omvang en bestond uit Bossche poorters. Het was een naar binnen gekeerde groep mensen die bestond uit clerici (zie kadertekst) en scolares (scholieren aan de Latijnse school die zich voorbereiden op het behalen van de status van clericus).

De broederschap bezat en onderhield een eigen kapel in de St. Jan. De vereniging kwam op gezette tijden bij elkaar in het zijkoor van de St. Jan om te zingen en de getijden te vieren. Wie lid wilde en mocht worden, betaalde intredegeld. Nieuwe leden zwoeren een eed, ze heetten dan vervolgens "gezworen broeder". Als een lid zijn maatschappelijke status verhoogde, b.v. door een priesterwijding, intreding in een klooster of verkrijging van een universitaire titel, betaalde hij opnieuw een vast bedrag aan de broederschap. Bij het overlijden van een lid, hielden de overige broeders een uitvaartdienst en betaalden de erfgenamen een doodschuld aan de broederschap.


Een clericus was een man die zich aan enkele regels diende te houden: het dragen van de tonsuur (de kruinschering), het dragen van discrete kleding, het afzien van het dragen en gebruiken van wapens, het afzien van het beoefenen van bepaalde beroepen. De clericus hoorde tot de geestelijke stand en viel onder de kerkelijke rechtspraak. Een bisschop of wijbisschop diende de tonsuur toe. Om priester te worden moest een clericus nog zeven wijdingen ontvangen, vier lagere en drie hogere. Een clericus die de laagste vier wijdingen had ontvangen was nog steeds gerechtigd om een wettig huwelijk aan te gaan.


In 1344-1345 betaalde de eerste vrouw haar intredegeld. In de 14de eeuw waren het naast  enkele kloosterlingen en begijnen vooral echtgenotes van clerici-leden die tot de broederschap werden toegelaten. Zo bleef de broederschap een elitair gezelschap. Dat veranderde toen in 1371 nieuwe leden mochten toetreden zonder zich te houden aan de statuten van de broederschap, zij hoefden niet langer de eed te zweren. Deze nieuwe leden heetten "gewone leden". Ze konden wel profiteren van de voordelen van de broederschap zoals het verkrijgen van aflaten. Door een aflaat kon iemand zijn of haar zonden afkopen. De aflatenpolitiek van de katholieke kerk was één van de oorzaken van de onrust binnen de katholieke kerk die uiteindelijk leidde tot de reformatie in de 16de eeuw.


Deze gewone leden betaalden natuurlijk wel voor hun lidmaatschap. Zowel bij intreding als bij overlijden legdenze geld in. De gewone leden kwamen van heinde en verre. De toename van het aantal pelgrims vanaf 1380 naar de St. Jan voor de Mariaverering droeg bij tot grotere bekendheid tot ver buiten de grenzen van het hertogdom Brabant. De pelgrims bezochten het wonderbeeld van Maria dat nog steeds te zien is in de St. Jan. Het zwaartepunt van herkomst van de gewone leden bleef wel liggen in het directe achterland van de Brabantse stad. De gewone leden waren niet verplicht om naar 's-Hertogenbosch te komen. Er ontstond een systeem van procuratoren of provisors. Vaak waren dat priesters of universitair geschoolden die in hun plaats van herkomst propaganda maakten voor de broederschap, de intredegelden en doodschulden inden en daarover rekening en verantwoording aflegden. Zij brachten het geld naar de broederschap in Den Bosch. In de loop van de tijd waren er 70 procuratoren actief die over een uitgebreid gebied opereerden. 


De broederschap organiseerde de Mariadiensten in de kerk, maar ook de Mariaprocessie. Alle leden van de broederschap ontvingen een kaars die ze op 2 februari (Maria Lichtmis), de feestdag van hun patroonheilige, moesten branden. De hoofdtaak van de broederschap, de Mariaverering, werd in de loop der tijd steeds complexer. De broederschap had een deken in dienst voor de misvieringen, waarin een eigen subdiaken het epistel en een eigen diaken het evangelie lazen. Aan het altaar in de kapel was inmiddels een kapelanie verbonden waardoor er een vaste priester beschikbaar kwam. Professionele zangers, van wie enkele met een eigen beneficie (eigen inkomsten), en een organist stonden borg voor aanvankelijk  gregoriaanse, later ook polyfone (meerstemmige) muziek. Rondom de eredienst waren ook ordebewaarders (bastonniers) en een koster werkzaam. De kapel van de broederschap was ingericht rond de tijd van de officiële oprichting van de broederschap. In 1426 en opnieuw in 1494 betrok de broederschap een nieuwe kapel in de Sint-Jan.

Wapen van Willem van Oranje die ook
 lid is geweest van de ILVB.
Schilder Jheronimus Bosch is ook lid geweest
van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap.
Hier op een portret uit ca 1550.




Elk jaar kozen de leden twee proosten die de dagelijkse leiding hadden. De organisatie van de broederschap en daarmee de administratie werd steeds belangrijker en veelomvattender. De sterke toename van het aantal leden was daar debet aan. De broederschap ontving ook in toenemende mate schenkingen en renten of pachten. De doodschuld kon ook betaald worden in goederen, kleding, landerijen, juwelen etc. In latere jaren kon je de doodschuld al voldoen bij leven, "in vita". De steeds complexere financiële en ledenadministratie noodzaakte de broederschap tot de inhuur van professionele krachten. Later kwam er een rentmeester als vaste functionaris.


Door de toename van het aantal leden en de inkomsten door schenkingen steeg het prestige van de broederschap. Het werd aantrekkelijker voor nog meer mensen, vooral de beter gesitueerden, om ook lid te worden. Deze ontwikkeling zorgde er ook voor dat de kapel in de St. Jan steeds rijker versierd werd, o.a. door schilderingen van Jeroen Bosch, die zelf ook lid was van de broederschap. Zo ontstond er een netwerk van personen dat elkaar één of meerdere keren per jaar trof bij de maaltijden die de broederschap verzorgde.

Inschrijving van Jherominus Anthonissoen van aken in de rekening van de broederschap in 1487

De broederschap bloeide aan het eind van de 15de en begin 16de eeuw. Honderden nieuwe leden lieten zich jaarlijks inschrijven. In het begin van de 16de eeuw waren bijna 14.000 mensen lid van de broederschap. In de loop van de 16de eeuw nam het ledental steeds verder af. De nieuwe moraal waarbij de aflatenpolitiek ter discussie kwam te staan zal daar mede debet aan zijn geweest. De opkomst van de reformatie met Luther en Calvijn en de hernieuwde strengheid in de leer vanuit de katholieke kerk zelf, draaiden de aflatenhandel de nek om.


Na de verovering van 's-Hertogenbosch in 1629 door Frederik Hendrik kwam de broederschap in een ander vaarwater terecht. Ze moest vechten voor haar bestaan in een nieuwe orde waar de protestanten de scepter zwaaiden. Ze konden overleven door vol te houden dat ze geen  kerkelijke organisatie waren. Ze stopten met de viering van de Mariadiensten. 

In 1642 werden de statuten gewijzigd en bestond de broederschap voortaan uit achttien  katholieke en achttien protestantse gezworen leden. Buitenleden waren niet langer

toegestaan. In de daaropvolgende eeuwen volgden geleidelijk aan nog meer veranderingen. Op deze manier slaagde de broederschap er in te overleven en tot op heden voort te bestaan. 

 

Inkomsten uit Udenhout 

De band tussen de stad 's-Hertogenbosch en de Meijerij was sterk. Vele inwoners of poorters 

van de stad waren afkomstig van het omliggende platteland. De bovenlaag in de stad beschikte door het drijven van handel en het vervullen van functies zoals die van schepen over voldoende kapitaal. Door hun soms oude banden met het  platteland hadden ze kennis van de landerijen die her en der te koop stonden. Voor Udenhout gold dat door het ontbreken van een lokale heer veel grond in handen was van particulieren. Geleidelijk aan kwamen steeds meer percelen en hoeven in Udenhout in handen van Bossche poorters. Die schonken uit hun bezittingen pachten en renten aan de geestelijke instellingen (kloosters, broederschappen,  armenzorg) in de stad waar ze woonden. Soms gingen hele hoeven over in handen van b.v. de Bossche tafel van de Heilige Geest. Zo waren er ook enkele Bosschenaren die grond in Udenhout bezaten waaruit ze pachten en renten schonken aan de Lieve Vrouwe Broederschap.


In de rekeningen zien we dan ook terugkerende posten uit goederen in Udenhout waarbij de betaler staat vermeld. Overigens zijn die gegevens niet altijd heel betrouwbaar. Soms was een betaler al jaren dood en stond hij of zij nog steeds te boek als de persoon die de pachtverplichting was nagekomen. Het ging de provisors van de broederschap niet om een nauwkeurige registratie van wie betaalde, als er maar betaald werd! Door een reconstructie te maken van de betalers en de te betalen pachten en renten is het in enkele gevallen mogelijk de bewuste percelen waaruit een rente of pacht werd betaald, te lokaliseren. Dat is mede interessant door de nauwkeurige registratie van de eigendommen die soms teruggaan tot in de 14de eeuw. Voor een aantal van die percelen is het gelukt ze te lokaliseren binnen het  huidige Udenhout.

 

Er zijn vijf betalingen uit Udenhout in de rekeningen terug te vinden. 

sesteren rogge op Maria Lichtmis (2 februari) te betalen (vanaf 9 februari 1403)


item in udenhout joffr(ou) margr(iet) machelmans - iiii sest(eren)

De oudste vermelding van een betaling uit landerijen in Udenhout is van 1403/1404. In die rekening betaalt joffr margr. Machelmans 4 sesteren rogge (1/2 mud) aan de Lieve Vrouwe Broederschap. Deze pach in natura was geschonken aan de broederschap door Godefridus Jan Sceijvel. Hij liet op 9 februari 1403 door notaris Jan Pauweter, priester van Luik, vastleggen dat deze pacht, die hij eerste zelf inde, voortaan aan de Lieve Vrouwe Broederschap toekwam. De eigenaren van het land waaruit deze pacht betaald moest worden waren verantwoordelijk voor de betaling. Margriet Machelman was een dochter van Maechelm van Utrecht en Beatrijs Hendrik Coman. Zij was getrouwd met Hubrecht van Gouberdingen. In de rekening van 1406/1407 betaalde Peter van Gouberdingen, kleinzoon van de genoemde Margriet Maeclman en Hubrecht van Gouberdingen de pacht


Deze pacht blijft zichtbaar in de rekeningen van de Lieve Vrouwe broederschap tot 1537. Vervolgens verdwijnt de pacht uit de stukken tot 1583-1590 wanneer de achterstallige betalingen in een apart register terecht komen. Daarna verdwijnt de pacht helemaal uit de rekeningen. Is de pacht afgelost? Als oninbaar gekwalificeerd en verder vergeten? Dat is niet duidelijk. Op geen enkele manier komt deze pacht nog voor in de rekeningen. 

 

1 mud rogge op St. Andries apostel (30 november) te betalen (vanaf 18 april 1409) 

Op 18 april 1409 schonk Gielis de Zecker een pacht van 1 mud rogge uit een hoeve in Udenhout aan de Lieve Vrouwe Broederschap. De eerste vermelding van diezelfde mud rogge stamde uit 1383 wanneer Reiner Jan Culle die verkocht aan Herman Jan Lodenzoen, die de pacht op zijn beurt verkocht aan Gielis de Zecker in 1388. Uit latere vermeldingen blijkt dat deze pacht wordt betaald uit bezittingen in den Brand. 

Deze 1 mud rogge staat voor het eerst in de rekening van 1433/1434. Vanaf 1536/1537 ontbreekt deze pacht in de rekeningen. We zien de pacht pas weer terug in de periode 1583-1590 tot 1620 wanneer de rekeningen ontbreken tot 1659. Waarschijnlijk werd in 1660 de pachtverplichting omgezet in een geldbedrag. Een overzicht uit 1659 sprak nog van 1 mud als pacht en het register dat in 1661 begint, noemde een betaling van 6 gulden. 

In de lichte kleur de percelen in den Brand waaruit
1 mud rogge werd betaald aan de Lieve Vrouwe Broederschap.

De betalers blijven trouw hun verplichting voldoen maar ze besluiten later, in de 19de eeuw, om deze pacht af te kopen. Ze betalen gezamenlijk 96 gulden en daarmee is de pacht per 15 februari 1872 afgelost en vervalt de betalingsverplichting na 463 jaar. 


12 gulden op St. Jacob (25 juli) te betalen (vanaf 15 maart 1549) 

Willem van Os, echtgenoot van Catharina Hendrik vander Keelen, verkocht aan de  Broederschap op 19 maart 1549 een cijns van 12 gulden uit een huis aan het Winkel. 

De betaling moet plaatsvinden in festo nativitatis Beati Johannis baptista proxima futuro (op het feest van de geboorte van Johannes de Doper eerstkomende). Die feestdag valt op 24 juni. 

Opmerkelijk is het dat deze post vanaf de rekening van 1546/1547 staat genoemd: van Joest Ghijsbrechtsz in Udenhout daer aff dierste betalinge verschenen is St. Jacopss xlvj. Dus, de eerste betaling vond plaats in 1546. Was de akte van 1549 een formalisatie van een al bestaande betaling? Geen idee. Gaat de akte van 1549 over een andere 12 gulden? Dat lijkt onwaarschijnlijk aangezien deze post niet tweemaal in de rekeningen voorkomt. Een tweede bijzonderheid is de betaaldag. Volgens de rekeningen is dat namelijk St. Jacobus Apostel, dat wordt gevierd op 25 juli. In de rekening van 1549/1550 staat abusievelijk St. Janss geschreven. De nieuwe cijns, of was het alleen de officiële vastlegging, in 1549 leverde blijkbaar verwarring op bij de rentmeester en/of proost. 

Voorlopig kunnen we ervan uitgaan dat de post van 1546/1547 over de 12 gulden van Willem van Os gaat. Het is Joest Ghijsbrechtsz die de 12 gulden moet betalen. Hij is waarschijnlijk de eigenaar van het betreffende huis waaruit de cijns betaald moet worden. In 1619/1620 is het Adriaen Jan Joosten die de 12 gulden betaalt. Die rekening is de laatste die bewaard is voor de wijziging van de statuten van 1642. 

Hierna komt deze post niet meer voor in de rekeningen. 

Vertaling: van Joost ghijsbrechtz(oen) in Udenhoudt daer aff dierste betalinge 
verschen(en) is S (int) Jacopssd(ag)e xlvj (=46) xii (=12) g(ulden)


pacht van 1 mud, 2 sester en een slijk rogge (1 vat) op Maria Lichtmis (2 februari) te 

betalen (vanaf 2 maart 1661) 

Deze pacht is afkomstig uit een grotere pacht van 9 mud en 2 sesteren rogge die Henricus Coert, zoon van Tilkinus van Bosschehoven al in 1352 beloofde te betalen aan Willem van LangelairTilkinus van Bosschehoven was één van de mensen die in 1316 grond verkreeg in Udenhout van de abdij van Tongerlo. Op 2 maart 1661 verwierf de Lieve Vrouwe  Broederschap een deel van deze oude pacht uit handen van Herman Kuchlinus. Deze pacht staat ook te boek als 10 sesteren en 1 slijk rogge. (1 mud rogge is 8 sesteren en een slijk rogge is gelijk aan een vat rogge). 

De rekeningen van de Lieve Vrouwe Broederschap laten zien dat de pacht betaald is tot en met 1725. Vanaf 1726 bleef er een vermelding in de rekeningen staan maar werd de pacht niet meer voldaan. De proosten houden deze post in de rekening tot 1776. Toen besloten de commissarissen en de proosten dat deze post niet meer in de rekening hoefde te worden opgenomen. Sinds 1726 was er geen pacht meer betaald en blijkbaar waren ze er niet in geslaagd om te onderzoeken hoe de bezitsverhoudingen nu waren en bij wie ze moesten zijn om de pacht te innen. Na 50 jaar gaven ze het op. 

 

1 mud rogge op Maria Lichtmis (2 februari) te betalen uit de hoeve aan de Groenstraat. 

De herkomst van deze pacht is onduidelijk. In het register met een opsomming van de  inkomsten van de Lieve Vrouwe broederschap uit 1659 staat dat aanvankelijk Adriaen Breeckelmans en later Jan Emmen den Rijcken deze pacht betaalde op Maria lichtmis (2 februari). 

Van 1662 tot 1668 betaalde Matheus Willem Berghmans de pacht. Hij was getrouwd met Maria de dochter van Jan Emmen den Rijcken. Daarna kwam de hoeve in handen van Jan Jan Vermeer en die de cijns betaalde tot 1687. De betalingen van de pacht stopten in 1835. In dat jaar losten de eigenaren de pacht af door 373 gulden te betalen. Deze hoeve stond in de buurt van de huidige Groenstraat 76/78.

In de lichte kleude de hoeve aan de Groenstraat waaruit
1 mud rogge werd betaald aan de Lieve Vrouwe Broederschap.

Lijst met Udenhouters 

De index die van deze ledenlijsten in de rekeningen gemaakt is, laat zien dat ook veel Udenhouters lid zijn geweest van de Lieve Vrouwe Broederschap in 's-Hertogenbosch. De bronnen vermelden zeker niet altijd waar een ingeschreven of overleden lid woonde. Om de volledige lijst op Udenhoutse mensen te gaan controleren is een bijna onmogelijke opgave. We moeten er van uitgaan dat die lijst nooit ofte nimmer compleet zal zijn of worden. Desalniettemin geeft de lijst hieronder een mooi overzicht. In sommige gevallen kan de lijst voor genealogen houvast bieden om voorouders terug te vinden en enige indicatie te krijgen wanneer ze nog in leven waren (als ze zich inschreven en hun intredegeld betaalden) en wanneer ze dood waren (als hun doodschuld werd voldaan). In latere eeuwen werd dat laatste minder betrouwbaar doordat je je doodschuld kon betalen lang voordat je overleden was.

In de lijst staat dat Herman Luer en zijn vrouw Lijsbeth in 1469 hun intredegeld betaalden. Voor Herman Luer werd in 1476 de doodschuld betaald. Er zijn bronvermeldingen uit het schepenbankarchief van 's-Hertogenbosch uit 1443, 1445 en 1447 waarin Herman Wouter Luer wordt genoemd. Dat zou best dezelfde Herman Luer kunnen zijn. Uit andere bronnen is bekend dat Wouter Herman Loer is getrouwd met Catharina Jan Melis Walraven. Hun huwelijk vond plaats voor 1471. In 1481 betaalt Katheryn Wouter Loers wyff in Udenhout haar intredegeld. Dat is bijna zeker de vrouw van de eerdergenoemde Wouter Herman Loer. In 1507 incasseert de broederschap de doodschuld van Katherina Wouter Loers uxor (=vrouw).
Daarmee is in een tijd waarin overlijdensregisters en andere bronnen over overlijdensdata ontbreken een extra bron aanwezig om een overlijdensjaar te weten te komen.
In sommige namen zijn familieverbanden terug te lezen. Aanvullend bronnenonderzoek zal daar nog meer duidelijkheid over verschaffen. Hieronder volgen twee voorbeelden.
De doodschuld van Mechtel Rob Brocken wijff werd betaald in 1501. Het betrof hier Mechtelt Jan Langerbeens die getrouwd was met Robrecht Brocken. Hun dochter Heilwigis trouwde met Lambert Lambert Leijnen. Voor hun kleindochter Ariken dochter van Robbrecht Leijnen werd in 1549 betaald voor haar doodschuld.
Dierixken Jan Roetters dochter uxor Claes Wiellems betaalde haar intredegeld in 1536. Zij betaalde waarschijnlijk in 1540 mede de doodschuld van Heilwich, de vrouw van Jan Roetarts, haar moeder. Haar dochter Agnes, dochter van Claes Willems, betaalde in 1542 haar intredegeld en haar doodschuld werd betaald na haar dood in 1554. De nabestaanden van Diricxken Jan Roeters dochter uxor Claes Willems betaalden in 1565 haar doodschuld.

Naam - Plaats - Jaar - Soort betaling
Symon Henric Tuyts soen in Udenhout - Udenhout 1443 intredegeld
In Udenhout Lambrecht Henric Wierix soen was - Udenhout 1446 intredegeld
Jan Jans s. van der Rijt in Udenhout - Udenhout 1457 intredegeld
Katelyn Jan Meeus Stevens soens s. in Udenhout - Udenhout 1465 doodschuld betaald na de dood
Harman Leur ende Lysbeth uxor - Udenhout 1469 intredegeld
Peter Wyten - Udenhout 1469 intredegeld
Herman Luer in Udenhout - Udenhout 1476 doodschuld betaald na de dood
Art Ghysbert Artss in Udenhout et Mechtelt uxor - Udenhout 1477 intredegeld
Katheryn Wouter Loers wyff in Udenhout - Udenhout 1481 intredegeld
Jacop Peters s. van Vucht in Udenhout - Udenhout 1484 intredegeld
Zegher Stevenss in Udenhout - Udenhout 1486 intredegeld
Jan Gerit Vennix soen in Udenhouyt - Udenhout 1487 doodschuld betaald na de dood
Jan Meeussoen in Udenhouyt - Udenhout 1487 achterstallige doodschuld betaald na de dood
Mary van Vucht in Udenhout - Udenhout 1489 intredegeld
Jan Wouter Hubenss smit in Udenhout smid Udenhout 1489 doodschuld betaald na de dood
Margriet Thonis wyf van den Loe in Udenhout - Udenhout 1495 intredegeld
Jacob van Vucht in Udenhout - Udenhout 1495 doodschuld betaald na de dood
Jan Gerit Hoeven ss. in Udenhout - Udenhout 1496 intredegeld
Margriet Henricx dochter van den Loo in Udenhout - Udenhout 1496 doodschuld betaald tijdens het leven
Katheryn Arnt Peters huysvrou in Udenhout - Udenhout 1498 intredegeld
Peterken Wyten in Udenhout - Oisterwijk, Udenhout 1499 doodschuld betaald na de dood
Dirck die Helt in Udenhoudt ende - Udenhout 1499 doodschuld betaald tijdens het leven
Arnt die Meyer - Udenhout 1501 intredegeld
Claesken uxor - Udenhout 1501 intredegeld
Gerit van den Pas - Udenhout 1501 intredegeld
Mechtelt Rob Brocken wyff in Udenhout - Udenhout 1501 doodschuld betaald met roerend goed
Margaretha Thonis van den Loe dochter - Udenhout 1502 intredegeld
Arnt Roetart in Udenhout - Udenhout 1504 intredegeld
Peter Ghyb Aerts ss. in Udenhout - Oisterwijk, Udenhout 1507 doodschuld
Peter Gyb Arts ss. in Udenhout - Oisterwijk, Udenhout 1507 doodschuld
Hadewich Peter Vannis dochter in Udenhout - Udenhout 1507 intredegeld
Goyart van Vucht in Udenhout - Udenhout 1507 doodschuld betaald tijdens het leven
Katherina Wouter Loers uxor in Udenhout - Udenhout 1507 doodschuld betaald na de dood
Arken Henrick Arkenrarts dochter in Udenhout gestorven - Udenhout 1508 doodschuld betaald met roerend goed
Maes die wagemeker in Udenhout wagenmaker Oisterwijk, Udenhout 1510 doodschuld betaald na de dood
Heylken Priem in Uden Haut by Oesterwick - Udenhout 1512 doodschuld betaald tijdens het leven
Jan Wouters van den Heseacker in Udenhout - Udenhout 1513 doodschuld betaald tijdens het leven
Alit van Vucht - Udenhout 1515 doodschuld betaald tijdens het leven
Lysbeth heur dochter - Udenhout 1515 doodschuld betaald tijdens het leven
Elizabet Gerit Elyaes uxor - Udenhout 1516 doodschuld betaald tijdens het leven
Beertken Roloff Henrick Peters s. die moller uxor molenaar Udenhout 1516 doodschuld betaald na de dood
Aert Dirck Roetarts in Udenhout - Udenhout 1517 doodschuld betaald na de dood
Henric Jan Witloex in Udenhout - Udenhout 1520 achterstallig intredegeld
Alit Henric Vannes dochter in Udenhout - Oisterwijk, Udenhout 1521 doodschuld betaald na de dood
Katherina Art Dirck Rotartsz. uxor in Udenhout - Udenhout 1521 doodschuld betaald tijdens het leven
Arien Goyartsz. van Vucht in Udenhaut - Oisterwijk, Udenhout 1525 intredegeld
Geertruydt Gerit Claes dochter in Udenhout - Oisterwijk, Udenhout 1526 intredegeld
Heylwich Gysbert Zegers uxor in Udenhout - Oisterwijk, Udenhout 1526 intredegeld
Marten Ariaen Martensz. oft Marten Ariaensz. - Udenhout 1527 intredegeld
Engelken filia van Henrick Witlock in Udenhout - Udenhout 1527 intredegeld
Gertruydt huysvr. Willem Hooven in Udenhout
wedue - Udenhout 1527 doodschuld betaald tijdens het leven
Adriana uxor van Peter Kempelants - Udenhout 1527 doodschuld betaald na de dood
Roelof Henrick Petersz. die molder molenaar Udenhout 1527 doodschuld betaald na de dood
Heylwych Henrick van Vuchs huysvr. - Udenhout Berkel 1527 doodschuld betaald tijdens het leven
Jut Teeuwen Byten dochter uxor van Jan die coster tot Berkel opt boeck van Udenhout koster Udenhout Berkel 1527 doodschuld betaald na de dood
Adriaen Jan Tuyts alias Priem van Udenhout knaep tot Sinte Gertruden cloester ten Bosch dienaar Udenhout Den Bosch 1527 doodschuld betaald na de dood
Lysken huysvr. Martens Ariaens Mertenss. - Udenhout 1528 intredegeld
Em Goessens - Udenhout 1528 intredegeld
Hubrecht Ghys Hermenssoen - Udenhout 1532 doodschuld betaald na de dood
Hubrecht Ghyb Hermensoen in Udenhout obiit - Udenhout 1532 doodschuld betaald met roerend goed
Lysken uxor Villem Thoenis ende was een doechter van Villlem Hoenen – Berkel Udenhout 1533 doodschuld betaald na de dood
Jan Goeyart Smollers s. - Udenhout 1533 intredegeld
Marten Adriaens soen obiit tot Udenhout - Udenhout 1533 doodschuld betaald na de dood
Lysbeth uxor Peter Huyben - Udenhout 1533 doodschuld betaald na de dood
Dierixken Jan Roetters dochter uxor Claes Wiellems - Udenhout 1536 intredegeld
Peeter Airt Gielis Kemplandt - Udenhout 1536 doodschuld betaald na de dood
Lysken Gyb Hermans dochter - Udenhout 1536 doodschuld betaald na de dood
Cornelis Janss van Gorcum - Udenhout 1536 doodschuld betaald na de dood
Geritken Claes Gerarts dochter - Udenhout 1537 intredegeld
Geritken Peter Gerits dochter - Udenhout 1538 intredegeld
Geritken Claes Elyas dochter - Udenhout 1538 doodschuld betaald tijdens het leven
Maria uxor Elyas Gerartss - Udenhout 1540 intredegeld
Jan Piggen Janss - Udenhout 1540 intredegeld
Arka weduwe Jacops Gerits van Vechel - Udenhout 1540 doodschuld betaald tijdens het leven
Jacop Geritss van Vechel - Udenhout 1540 doodschuld betaald na de dood
Heilwich Jan Roetarts uxor - Udenhout 1540 doodschuld betaald na de dood
Embert Goessens alias Kemplant Udenhout - Udenhout 1540 doodschuld betaald na de dood
Agness dochter Claes Willemss - Udenhout 1542 intredegeld
Engela dochter Willems Waltloeck uxor Jans Pyngen - Udenhout 1542 intredegeld
Margriet dr. Willems Ghysbrechts Hoeven - Udenhout 1542 doodschuld betaald met roerend goed
Agnes dochter Claes Willems z. - Udenhout 1554 doodschuld betaald na de dood
Jan Piggen Janss. onder Udenhout - Oisterwijk, Udenhout 1555 doodschuld betaald na de dood
Jan Goyart smolleners zoen molenaar Udenhout Berkel 1559 doodschuld betaald na de dood
Ariken dochter Robbrecht Lambrechts – Udenhout Berkel 1559 doodschuld betaald na de dood
Lysbeth Witlocx - Udenhout 1564 achterstallige doodschuld betaald na de dood
Lijsken uxor Merten Adriaen Mertenss. - Udenhout 1565 doodschuld betaald na de dood
Willem Herman Appels - Udenhout 1565 doodschuld betaald na de dood
Diricxken Jan Roeters dochter uxor Claes Willemss. - Udenhout 1565 doodschuld betaald na de dood
Jannen de Meyer in Udenhout meier Udenhout, Oisterwijk 1567 doodschuld betaald na de dood


Bronnen
* Anton Schuttelaars, Heren van de Raad. Bestuurlijk elite van 's-Hertogenbosch in de stedelijke samenleving 1500-1580 (Nijmegen University Press, 1998). Hoofdstuk 10: De Lieve Vrouwe Broederschap, pp. 366-411
* Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC), Illustre lieve vrouwe broederschap (ILVB) in 's-Hertogenbosch, (1291) 1318 - 1993 (1998), invnrs. 9, 19, 116-146, 164, 174, 334-340, 417-421, 428.
* Informatieblad Illustre Lieve Vrouwe Broederschap (november 2009)
http://www.bhic.nl/data/docs/onderzoeksgereedschap/infoblad%20ilvb.pdf (laatst geopend op 31 oktober 2010)
* Website van het BHIC, pagina met zoekinterface naar de leden van de broederschap tot 1620: http://www.bhic.nl/index.php?id=11885 (laatst geopend op 12 december 2010)
* Website van het BHIC. pagina met zoekinterface naar gescande archiefstukken o.a. de rekeningen van de ILVB: http://www.bhic.nl/index.php?id=11886 (laatst geopend op 12 december 2010)