Om zijn nieuw verworven gebieden tot economische groei te brengen gebruikte de hertog van Brabant onder meer de kloosters in zijn hertogdom.
De abdij van Tongerlo ontving van hertog Hendrik I in 1232 het recht van houtkap in stukken van het bos van Udenhout. Welke gedeelten dat precies waren is niet duidelijk. Op de valreep van de 13de eeuw in 1299 (of 1290, hierover spreken de bronnen elkaar tegen) ontving Tongerlo van hertog Jan II ook nog eens acht hoeven land om te ontginnen. We weten niet waar die hoeven gelegen hebben, evenmin of de hoeven een aaneengesloten stuk grond vormden. Overigens, de hertog deed niet aan liefdewerk, de abdij moest uit deze schenking wel een jaarlijkse cijns van 12 schellingen voor elke hoeve betalen.
De term "hoeve" betekent hier niet een volledig uitgeruste boerderij maar was een vlaktemaat. Nieuw land dat men wilde ontginnen werd ge"hoefslaagd". Men deelde een omvangrijk terrein in door de percelen letterlijk af te palen en te verdelen in hoeven. Een hoeve noemde men in het latijn een mansus terre, vertaald een hoeve lands. Het perceel moest zo groot zijn dat een huishouden er van kon leven. Een hoeve kende verschillende soorten grondgebruik. Het akkerland was vanzelfsprekend nodig voor de graanbouw. Weilanden en beemden voor het vee en het hooi. Het vee was onmisbaar vanwege de voortdurende noodzaak om het land door bemesting vruchtbaar te houden. De mest van het vee dat in de stal stond, vermengde de boeren met allerlei rouware of straaisel. Dat haalden ze van de heivelden, onder de heggen, uit de sloten en elders van het land. Er was hout nodig voor de stookplaats, het bakhuis, voor het onderhoud aan huis en haard, voor de omheiningen. Turf was nodig als brandstof, stro als dakbedekking. Het kwam maar zelden voor dat al het land van een hoeve aan elkaar lag. In Udenhout lagen b.v. de moervelden voor de turfwinning vooral in en rond de Brand. Aan geschikt weiland ontbrak het nogal eens, zodat nogal wat hoeven hooibeemden bezaten in het poldergebied bij Waalwijk.
Op 4 mei 1306 maakt de abdij van Tongerlo het bezit in Udenhout te gelde.
Diederik van de Venne koopt 24 bunder bij het bos (iuxta quoddam fossatum) en
Henrick Toyte 12 bunder in Aschhout. Zij moeten die grond ontginnen en er gebouwen op plaatsen. Diederik betaalt jaarlijks een cijns (vergoeding in geld) van 14 pond zwarte tournooisen en 12 kapoenen en Henrick 10 zwarte tournooisen.
In 1314 verkocht de abdij van Tongerlo weer 35 bunder uit haar groeiende bezit in Udenhout aan 12 particulieren. Deze percelen waren belast met een erfelijke cijns die eeuwenlang te volgen is in de cijnsregisters van het abdijarchief.
![]() |
| Cens(us) in Udenhout f(e)rie sec(un)da p(os) purific(atione) Kop van de cijnsen van Udenhout in het scijnsboek van Tongerlo dat begon in 1375. |
Uit dit verworven bezit ontstonden de drie hoeven in Udenhout die de abdij verpachtte. Volgens de bronnen liggen twee ervan steevast op Udenhouts grondgebied terwijl de derde de ene keer onder Loon op Zand en dan weer onder Udenhout valt. Later zal blijken waarom: de helft van de landerijen lag op het grondgebied van Loon op Zand.
De belasting op haardsteden (plaatsen waar je vuur mocht stoken) is al oud. Een register van Schouwen, heersteden, oovens, furnuysen, smissen etc. uit de 16de eeuw vertelt ons dat de twee hoeven in Udenhout verpacht waren aan Willem Zeghers en Wouter Henricsz. De hoeve onder Venloon (de oude naam van Loon op Zand) had Peeter Gherits als pachter. Een bijlage bij dat register bevat een redelijk gedetailleerde beschrijving van de vuurplaatsen.
De hoeve van Willem Claes Zeghers had eenen ronden heert ende den back ooven staende buijten den huijse in een huijske met een steenen pijp vuijt roeckende. Omdat de bakoven veel in gebruik was betaalde hij dubbel. Dat kostte hem 2 rijnsgulden.
De hoeve van Wouter Henricsz had eenen ronden heert ende eenen back oven staende in een huijsken buijten den woenhuijse. Daarvoor betaalde hij 1 1⁄2 carolusgulden.
Bij de hoeve van Peeter Gherits was het weer anders. Die had eenen ronden heert ende eene scoorsteen op die camer ende den back ooven roekende doer een steenen pijp vuijt wat hem ook 2 rijnsgulden kostte.
Een opgave van de Udenhoutse hoeven uit 1554 ten behoeve van de inning van de 10de en 20ste penning vertelt ons wat meer over de grootte. Overigens lag de hoeve van Peeter Gherits, die nog steeds pachter was, nu weer in Udenhout. Zijn pachtsom bedroeg 18 mud rog, 6 rijnsgulden, en 12 el laken. Wouter Henricsz had een vergelijkbare hoeve want hij betaalde 16 mud rogge, 16 rijnsgulden en 12 el laken.
Willem Claes Zeghers was het goedkoopst uit: hij betaalde 8 1⁄2 mud rogge, 4 rijnsgulden en ook 12 el laken.
![]() |
| De strook land langs de Asschotse steeg met daarbij in zwart de percelen die bij de Tongerlose hoeven horen. |
De derde hoeve wordt gesitueerd in Loon op Zand maar de belendingen duiden op Udenhout. De pachter was toen Peter Aerts als opvolger van Gijsbert de Meijer. De percelen in Udenhout besloegen 20 bunder met nog hetzelfde oppervlak in Loon op Zand.
![]() |
| De ligging van de 3 (later 4) hoeven van Tongerlo aan de Loonse Molenstraat (kadasternummers A 427 en A 431 en de Houtse straat (kadasternummers F 243 en F 329 op basis van de kadasterkaart van 1832. |
Een pachtcontract uit 1576 geeft ons een kijkje in het leven van de pachter en vooral de verplichtingen waar hij zich aan moest houden. De pachter, dat was toen Marcelis Cornelis Otten uit Hilvarenbeek als opvolger van Willem Claes Zeghers, pachtte de hoeve voor een periode van 6 of 12 jaren. We bevinden ons dan in de periode dat de abt van Tongerlo tevens bisschop van 's-Hertogenbosch was. Dat zien we ook terug in de verplichtingen van de pachter.
Het was gebruikelijk dat de veestapel voor de helft aan de pachter toebehoorde terwijl de andere helft van de verpachter, in dit geval de abdij van Tongerlo, was. Ieder jaar legde de pachter verantwoording af aan de abdij over het reilen en zeilen van de hoeve. In het contract lag vast dat hij dan minimaal in het bezit was van zes koeien, vier trekossen, twaalf runderen, vier kalveren, negentig schapen en drie paarden. Het valt op dat de varkens ontbreken. Nu telt Noord-Brabant een enorme varkenspopulatie maar in de 16de eeuw mocht een pachter zelf kiezen voor het houden van varkens. In het pachtcontract was wel vastgelegd dat het houden van de varkens niet ten koste mocht gaan van de rest van de veestapel.
Er stonden ook boetes op het ontbreken van beesten. Een kalf te weinig kostte de pachter 25 stuivers en een schaap te weinig kostte 20 stuivers. Voor de overige beesten bepaalde de marktprijs van dat moment de boete.
![]() |
| Molenaar Teurlings van de molen in de Loonse Molenstraat |
Het was de pachter ook verboden om ennich hoeij, stroo, ghers, heijde oft andere rouware te verkopen of te ruilen. Alles moest ten goede komen aan de eigen veestapel of de gebouwen.
Het pachtcontract verbood de pachter om andere beesten te houden op de hoeve of meer land te bewerken dan dat bij de pachthoeve hoorde. Hij mocht ook geen land van de pachthoeve onderverpachten of uit handen geven.
De pachter was verplicht om alles in goede staat te houden. Dat gold niet alleen voor het huis en de andere gebouwen, maar ook voor de sloten, de wegen, de houtwallen, de hekken en dijken. De kleine reparaties aan huis en gebouwen kon de pachter meteen laten uitvoeren. Hij kreeg de gebruikte materialen van de abdij terug of vergoed.
Het opgaande hout op de hoeve stond niet vrijelijk tot de beschikking van de pachter en ook aan het hakken van schaarhout waren voorwaarden verbonden. Hij moest jaarlijks 50 eiken heesters planten.
De geloofsconflicten die in de loop van de 16de eeuw steeds grotere vormen aannamen hadden grote gevolgen voor de abdij van Tongerlo. In een poging om de invloed van buitenaf tegen te gaan wilde koning Filips II komen tot een nieuwe indeling van bisdommen in de Nederlanden. Viel het gebied van de Nederlanden tot 1560 deels onder het bisdom van Keulen en deels onder dat van Luik, onderhandelingen met de paus leidden er toe dat er een geheel nieuwe verdeling kwam.
Één van die wijzigingen betrof de oprichting van het aartsbisdom Mechelen met o.a.
een bisschopszetel in 's-Hertogenbosch. Formeel startte het bisdom 's-Hertogenbosch op 11 maart 1561 onder leiding van de eerste bisschop Franciscus Sonnius. Om deze nieuwe bisschop van inkomsten te voorzien lijfde Filips II de abdij van Tongerlo in bij het nieuwe bisdom. De bisschop van 's-Hertogenbosch werd tevens abt van Tongerlo. De monniken waren het helemaal niet eens met deze
beslissing. Zij kozen al eeuwenlang een abt uit hun midden en nu was dat recht hun ontnomen. Bovendien zouden de inkomsten van de abdijgoederen nu nog maar ten dele ten goede komen aan hun eigen abdij. Het terugwinnen van hun zelfstandigheid werd de inzet van een strijd die duurde tot 1590. Op 25 augustus van dat jaar kwamen de onderhandelaars tot een vergelijk met de toenmalige bisschop Clemens Crabeels waardoor het bisdom en de abdij weer los van elkaar kwamen te staan.
Daarbij verloor Tongerlo wel een aanzienlijk deel van zijn bezittingen in het bisdom 's-Hertogenbosch, waaronder de hoeven in Udenhout. Die kwamen nu in bezit van de bisschop van 's-Hertogenbosch en de bronnen spreken vanaf dan van bisschopshoeven. Tijdens de regering van bisschop Metsius (1570-1577) kregen de drie Udenhoutse hoeven een zware beproeving te verduren. In de strijd tussen de opstandige gewesten en Spanje staken de Geuzen de drie hoeven in brand.
![]() |
| De huidige molen in de Loonse Molenstraat zonder wieken. |
betrouwen, die van andere gesintheijt sijn, die domestijque dienaers geweest sijn, vanden Bisschop, ende consequentelijck niet genegen tot desen Staet.
De Raad van State ging enkele jaren na de vrede van Munster in 1648 over tot de verkoop van een groot aantal hoeven die in zijn bezit waren gekomen door de confiscatie van bezittingen van de katholieke kerk. De Raad van State wilde deze landerijen te gelde maken en ging daarbij niet over één nacht ijs. Om de publieke verkoop tot een succes te maken was het van belang de hoeven te bezoeken om op basis daarvan een goede taxatie te krijgen. Er kwam een boekje met de verkoopvoorwaarden en een aanplakbiljet met een nauwkeurige opgave van de afzonderlijke hoeven, om daarmee kopers te interesseren.
Zo gebeurde het dat op 17 oktober 1658 de heeren Cant, Van Loo en Van Beverningh, als gecommitteerden van de Raad van State, een inspectietocht hielden o.a. naar de te verkopen geestelijke goederen in Udenhout. In hun verslag staat:
van daer (Tilburg) voorts gereden op Udenhout, ende aldaer inspectie genomen
vande twee hoeven beseten bij Hubert Jans Piggen ende bij de weduwe van Jacob
Marcelis; waer mede dien dagh ten avont gebracht wesende sijn heel laet gearriveert
binnen shertogenbosch. Ze beschreven keurig de staat waarin de Udenhoutse hoeven zich bevonden.
![]() |
| In de omgeving van de huidige Geel Hoef vlag een hoeve van Tongerlo. |
In datzelfde jaar 1658 gingen de twee hoeven aan de Houtse straat in de verkoop.
De koper was baron Willem Vincent van Wittenhorst. De hoeve van pachter Huijbert Jan Piggen leverde de staatskas 8.300 gulden op en de hoeve van de weduwe Jacob Marcelis bracht 6.200 gulden in het laatje. De aantekeningen van de rentmeester laten zien dat baron van Wittenhorst dit bedrag in drie termijnen betaalde op 1 mei 1659, 1 november 1659 en op 1 mei 1660.
![]() |
| In deze omgeving aan de Loonse Molenstraat lag een Tongerlose hoeve. |
Het hout op deze hoeve staat heel nauwkeurig opgesomd:
26 opgaande boomen, sommige stijff 1 voet ende de andere wat minder
38 jonge opgaende eijcxkens van 4 a vijff duijm
59 eijcke opgaende boomen waervan 7 a 8 dick waren stijff een voet sommige
minder ende sommige 4 a 5 duijm
60 bercxkens ende 12 crotachtige boomen eenige plantagie van jonge bercken wel
wassende, eenigh 2 jarigh schaerhout, 5 a 6 jarigh schaerhout
2 rijpe eijcke boomen een quart heer ter bosken niet wel wassende
120 opgaende eijcke boomen, het meerendeel van dien van 5 a 6 duijm oock eenige
swaerder, noch diverse jonge boomen met eenige quade crodden, schaerhout van
drie ende 4 jaren out.
![]() |
| Ook in deze omgeving van de Waalwijkseweg lag een hoeve van de abdij van Tongerlo. |
Steven Wouter Stevens verklaarde tegenover de inspecteurs dat hij niet in staat was om al zijn land te bewerken. Zij stelden dan ook voor om de hoeve te splitsen in twee afzonderlijke hoeven zodat die meer geld zouden kunnen opbrengen. Maar dat liet de Raad van State over aan de nieuwe eigenaars: de broers Adriaen en Jan van der Meijden. Zij betaalden de som van 12.000 gulden voor deze hoeve.
De nieuwe eigenaars splitsten de hoeve aan de Loonse Molenstraat en die twee hoeven gingen in de 18de eeuw over in Udenhoutse handen. De twee hoeven in de Houtse straat bleven tot na 1832 in "vreemde" handen. Pas in de loop van de 19de eeuw kwamen ze in bezit van Udenhouters. Daarmee verdwenen de sporen van dit oude bezit van de abdij van Tongerlo definitief uit het geheugen.
Gebruikte bronnen:
Ambr. Erens, O. Praem., Tongerloo en 's Hertogenbosch; de dotatie der nieuwe bisdommen
in Brabant 1559-1596, (Tongerloo, 1925)
Mechelien Spierings, De rol van de abdij van Tongerlo bij het ontstaan van het dorp
Udenhout, in: De Kleine meierij, jrg. 40, nr. 2, pp 51-56.
Prof.em.dr. R. van Uytven (red.) et al, Geschiedenis van Brabant van het hertogdom tot
heden, ('s-Hertogenbosch)
Brabants Historisch InformatieCentrum in 's-Hertogenbosch:
Archief van de ontvangers der belastingen en rentmeesters; inv.nrs. 127, 183.
Nationaal Archief in Den Haag:
Archief Raad van State; inv.nrs. 2156-II, 2156-III, 2157.
Abdij-archief van Tongerlo:
Sectie II register 284 en 285 (verpachtingen van de hoeven).
Regionaal Archief Tilburg:
Schepenbank Oisterwijk, inv.nr. 466, transport van 11 november 1716.
Dorpsbestuur Udenhout; inv.nrs. 106-118 (verpondingskohieren).
Stadsarchief 's-Hertogenbosch:
Bosch protocol, inv.nr. 1592, transport van 13 december 1659.









.jpg)








