zondag 21 juni 2026

De ijzergieterij in Jeruzalem: een sterk staaltje hergebruik

De ijzergieterij van Jérôme van Dun
Jérôme van Dun is geboren in Tilburg op 17 maart 1873 als zoon van de smid Franciscus Hubertus van Dun en Bernardine Johanna van Riel. Jérôme was metaalgieter van beroep en vertrok in oktober 1894 naar Düsseldorf, net over de grens in Duitsland, waarschijnlijk om zich verder in zijn vak te bekwamen. Hij komt terug naar Tilburg in september 1899 vanuit Wenen in Oostenrijk.
In augustus 1900 vraagt Jerôme van Dun vergunning aan om “eener ijzer en metaalgieterij met stoom gedreven” op te richten. Dit bedrijfspand ligt aan “den weg naar Koningshoeven, kadastraal bekend onder B 3404”. In werkelijkheid ligt het pand een stukje van de weg af in een stukje niemandsland.
Op 5 september 1900 verkrijgt hij de toestemming om het pand te bouwen en in te richten.
Ruim zes jaar later, op 22 februari 1907, is het faillissement uitgesproken.
Op 1 mei 1905 overlijdt zijn vader en op 2 mei overlijdt zijn moeder. Mogelijk was dit de aanleiding voor het faillissement.

Na zijn faillissement vertrekt hij in februari 1908 uit Tilburg en reist terug naar Nederlands Oost-Indië. Hij trouwt op 17 oktober 1908 in Tilburg met Johanna Petronella Cornelia Maria van Roessel. Ten tijde van zijn huwelijk is hij onderopzichter bij de werkplaats der Staatsspoorwegen en woont hij in Madioen in Oost-Indië (huidige Madiun op Java).
De zwager van Jérôme van Dun, Jan van Roessel, vertegenwoordigt hem bij zijn huwelijk en ondertekent namens de bruidegom de huwelijksakte.

Briefhoofd van de firma Jérôme van Dun & Co, ijzer-, koper- en metaalgieterij uit 1906.
Op het briefhoofd staan twee afbeeldingen van de ijzergieterij die nu nog steeds te vinden is aan de Havendijk. (Fotonummer 060000)

Jérôme en Johanna krijgen twee kinderen die beiden in Madiun zijn geboren, Willem Franciscus (20-1-1910) en Bernardina Catharina (13-3-1914).
Het gezin keert op 9 december 1919 terug naar Tilburg vanuit Bandung (West-Java). Ze gaan snel door naar Amsterdam op 28 februari 1920 en naar andere gemeenten.
Jérôme overlijdt kort na de bevrijding van Nederland op 22 mei 1945 in Rotterdam.
Johanna van Roessel overlijdt op 17 juni 1957 in Den Haag.

Afbeeldingen van beide zijden van de ijzergieterij die Jerome van Dun liet bouwen bij de Hoevenseweg.

In januari 1912 wordt de NV Tilburgsche Verzinkerij opgericht door directeur J. van Zantbeek. Dit bedrijf bestaat uit een verzinkerij, een smederij en een plaatwerkerij.
Aanvankelijk is dit bedrijf gevestigd aan de Nieuwstraat.
In 1913 zijn de vergunningen aangevraagd voor het oude pand van Jerome van Dun aan de Hoevenseweg. Dat nieuwe bedrijf was eveneens geen lang leven beschoren want dat sluit de deuren in 1920.
De IJzergieterij in ca. 1920, voor de ingebruikname als noodkerk. 
Boven de ingang is nog zichtbaar en leesbaar “verzinkerij”. (Fotonummer 044496)

Kort daarna wordt het plan gemaakt om een zijkanaal aan het Wilhelminakanaal aan te leggen. In 1921 is dat werk aanbesteed en op 4 april 1923 is de haven in gebruik genomen. Dat betekende voor de voormalige ijzergieterij dat het een kanaal voor de deur krijgt, maar blijkbaar levert dat geen nieuwe gegadigden voor de bedrijfsruimte op.
Na de aanleg van de zijarm van het Wilhelminakanaal ten behoeve van de Piushaven, ligt de
ijzergieterij aan de zuidkant van de havenarm, achter de draaibrug en achter de pastorie uit ca 1921. 
(Fotonummer 000718)

Uit de tijd dat het pand niet in gebruik was zijn enkele interieurfoto's bewaard gebleven.
Het interieur van de ijzergieterij en verzinkerij ca 1920. (Fotonummers 044499 en 044500)

Als je de interieurfoto's bekijkt van de noodkerk kun je zien hoeveel werk er verzet is om het gebouw voor de kerkdienst geschikt te maken. Het duurt tot 1921 voordat deze kerk, vernoemd naar Onze Lieve Vrouw van Lourdes, in gebruik komt. De kerkwijding vindt plaats in oktober 1922 en het gebouw blijft meer dan 40 jaar dienst doen als kerk.
Een fraai staaltje hergebruik!
Links de pastorie uit omstreeks 1921. Aan het eind van de draaibrug een triomfboog met de datum van ingebruikname van de noodkerk: 23 oktober 1922. Nu is de pastorie een restaurant en B&B Villa Pastorie en nu als Villa La Vida. (Fotonummer 044495)

Versieringen bij de in gebruikname van de noodkerk in 1922 aan de havenarm.
De nieuw gebouwde ingang van de noodkerk is zichtbaar door de ereboog.
Fotonummer 044502

In 1920 is de nieuwe parochie van O.L.V. van Lourdes gesticht. Het was een kleine parochie omdat er in 1922 aanvankelijk weinig huizen in de parochie staan.
De wereldwijde economische crisis gedurende de jaren 30 van de 20ste eeuw na de ineenstorting van de beurs in 1929 en de daaropvolgende Tweede Wereldoorlog zorgen ervoor dat de nieuwbouw plannen tot eind jaren 40 zijn uitgesteld.
Pas na de oorlog groeit het aantal woningen en daarmee ook het aantal parochianen. Dat zal er mede de oorzaak van zijn geweest dat de noodkerk zo lang dienst heeft gedaan.

Interieur van de noodkerk met gebrandschilderde ramen boven het altaar. 1925 (Fotonummer 049539)

Interieur van de noodkerk tijdens de mis ter gelegenheid van de priesterwijding van Chrysostomus de Bont.
April 1964. (Fotonummer 1237_008_549-2_005)

Interieur van de noodkerk, hoofdaltaar en verder interieur. ca. 1935. (Fotonummer 000720)

In 1965 komt een mooie, spiksplinter nieuwe kerk die het na-oorlogse elan sterk weergaf. Het was een modern en fotogeniek gebouw gebouwd door architect Jos Schijvens.

Door het opengewerkte dak van de kerk van Onze Lieve Vrouw van Lourdes is de losstaande kerktoren 
zichtbaar die er nog steeds staat. Foto uit ca. 2007. (Fotonummer 025998)

De gloednieuwe Lourdeskerk in 1966.

De wijk Jeruzalem, die pas na de oorlog is gebouwd, is bij deze parochie gevoegd. Veel inwoners van Jeruzalem hebben gebruik gemaakt van de kerk. In 1998 is de laatste kerkdienst gehouden in deze kerk.
Villa La Vida, hier nog vermomd als Villa Pastorie, in Corona-tijd. 2020. (Fotonummer 17280340)

De pastorie van deze voormalige kerk staat er nog steeds op de hoek van de Havendijk en de Hoevenseweg. Het gebouw is ca 1921 ontworpen door architect Jos Donders. Na het opheffen van de parochie is de pastorie in 2012 omgebouwd tot restaurant Villa Pastorie en een paar jaar later als Villa La Vida doorgegaan.

Maar daarmee heeft de voormalige ijzergieterij niet de laatste gedaantewisseling ondergaan. In 1979 opent in dit pand de eerste Jumbo supermarkt in Nederland.
De winkel sloot de deuren op 16 november 2011. (Fotonummer 025986 ca. 1981)

De Jumbo supermarkt in 2002. (Fotonummer 39947)

Na sluiting van de supermarkt in 2011 staat het gebouw weer enkele jaren leeg tot er eind september 2015 achttien “loftwoningen” woeden gebouwd in de voormalige ijzergieterij. Het gebouw krijgt daarmee een woonfunctie en maakt deel uit van de wijk Nieuw Jeruzalem.
Het is voorlopig de laatste verandering en functiewijziging van het pand van Jérôme van Dun. Wie weet wat de toekomst nog in petto heeft.


Gebruikte bronnen:
Alle foto's afkomstig uit de collectie van Regionaal Archief Tilburg.



woensdag 27 mei 2026

Zoenakten in Udenhout

Meer geneijcht wesende tot bermherticheijt dan tot rigeur van Justicien
dach van soene
Een zoenakte is een bijzondere vorm van rechtspraak die al in de middeleeuwen
bestond. Het is een vorm van eigenrichting (zelf voor rechter spelen) die wel
gesanctioneerd diende te worden door het bevoegd gezag en/of de kerk.

Wat is een zoenakte?

Het woorddeel “zoen” in zoenakte staat voor verzoening. Een zoenakte is een akte waarin twee partijen zich met elkaar verzoenen. De partijen onderhandelen met elkaar om tot overeenstemming te komen en laten dat niet door de rechtbank van schepenen doen. Daarbij staat de schuldvraag niet ter discussie, die is heel duidelijk en beide partijen accepteren die ook. Het gaat er in dit geval alleen om dat er geen veroordeling plaatsvindt door de rechtbank.

In de meeste gevallen gaat het bij een zoenakte om moord en/of doodslag.
Waarschijnlijk is doodslag daarbij in veruit de meeste gevallen de misdaad. Er is iemand om het leven gekomen en de dader is bekend. In een gemeenschap, zeker als die klein is en als zowel slachtoffer als dader er deel van uitmaken, zijn (langdurige) familievetes een hinderlijk fenomeen. We kennen tot in onze tijd het begrip eerwraak. Dat is niet iets nieuws. Eerwraak kwam (en komt) ook in onze cultuur voor. Binnen een kleine gemeenschap zorgt dat voor ernstige ontwrichting. Een (ver)zoen(ing) was een probate oplossing voor dit probleem.

Wie zaten er aan tafel?
De zoenakten noemen in de meeste gevallen de hoofdpersonen die bij de onderhandelingen betrokken waren. Dat betrof in alle gevallen naaste familieleden van het slachtoffer en van de dader, vaders, broers en zwagers konden deel uitmaken van de onderhandelingspartij. Er was ook altijd een aantal “wijze mannen” bij, meestal een of meer priesters en leden van het lokale bestuur zoals schepenen of andere notabelen. Mannen met gezag, waarin alle partijen vertrouwen hadden.

Uiteindelijk kwam de uitslag van de onderhandelingen tussen beide families en vrienden wel tot een papieren neerslag: de zoenakte. Daarin stond tot in detail beschreven wat beide partijen overeengekomen waren zodat iedereen wist waar de dader zich aan de te houden had. Handhaving van deze afspraken was geen probleem aangezien beide kanten zich er aan verbonden.

Veel voorkomende bepalingen in een zoenakte
Het belangrijkste onderdeel in een zoenakte was: hoe houd je de dader weg bij de familie van het slachtoffer. Daar waren verschillende afspraken voor mogelijk. Om te beginnen werd de dader vaak op bedevaart gestuurd. Dat kon variëren van een bedevaart in de buurt, ’s-Hertogenbosch of Boxtel, tot een bedevaart naar het verre buitenland, zoals Rome of Santiago de Compostella in Spanje. De dader moest bij terugkomst een bewijs overleggen dat hij daar ook daadwerkelijk geweest was. De bedevaart zorgde ervoor dat gedurende de eerste periode de dader en de familie van het slachtoffer elkaar niet tegen het lijf liepen wat mogelijk tot een geweldsuitbarsting kon leiden. Afspraken of niet, de menselijke emotie laat zich niet altijd leiden door ratio en een overeenkomst.
Schrijn van de Drie Koningen in de DOM van Keulen. Veel bedevaartgangers bezochten dit heiligdom

Als de dader weer terug kwam in het dorp of niet op bedevaart hoefde waren er nog andere afspraken die het ontmoeten van de familie van het slachtoffer reguleerden.
De dader werd de toegang tot bepaalde of alle herbergen ontzegd. In die openbare plaatsen kwam de dorpsgemeenschap elkaar natuurlijk het meest tegen. Als de dader in de herberg aanwezig was moest hij die verlaten als de familie en/of vrienden van het slachtoffer die herberg wilden betreden. Zag hij dat de familie en vrienden van het slachtoffer in een herberg aanwezig waren dan mocht de dader die herberg niet betreden.

Er is vaak sprake van een geldelijke vergoeding. De (familie van de) dader draait op voor de kosten van de begrafenis met alles wat daarbij van toepassing kon zijn: de begrafenis zelf, de kist, de kaarsen, de etenswaren e.d. Soms is er een geldelijke vergoeding voor het berokkende leed, dat wat wij nu smartengeld noemen. Dat komt echter niet zo vaak voor. De (familie van de) dader moet regelmatig een offer brengen in de kerk of kapel binnen het dorp. Vaak is dat eenmalig.

Voorbeelden van zoenakten in Oisterwijk en Udenhout
In 1499 komt Willem Goescalcksz te overlijden door een ongeval veroorzaakt door Wouter Goijaert Jan Goijaerts en Goossen Gerit Verhoeven. Er volgt overleg door vertegenwoordigers van beide families en die besluiten o.a. dat Wouter een bedevaart moet houden naar Rome, naar de kerk van sinte Peters ende Pauwels en hij moet in de kerk van sint Jans latranen een misse hoeren en op zijn knieën de heilige trap op te cruyppen in het Lateraans paleis. Van dat alles moet hij rekenschap afleggen en bewijs overleggen bij terugkomst.

Goossen Gerit Verhoeven wordt een andere kant opgestuurd. Zijn bedevaart gaat naar Bad Wilsnack in Brandenburg in Noord-Duitsland. Sinds het eind van de 14de eeuw is die plaats een bedevaartsoord vanwege de bloedhosties die zich daar bevinden. Daarna moet Goossen ook nog naar Keulen gaan, waarschijnlijk naar het graf van de drie koningen in de dom van Keulen. Bij terugkomst mochten beide bedevaartgangers 14 dagen in het dorp blijven om verantwoording af te leggen over hun bedevaart. Daarna moeten zij weer vertrekken en mogen niet in Oisterwijk, Haaren en Diessen komen. Enkele weken per jaar mogen zij wel thuis komen om te helpen bij de oogst en werkzaamheden op de boerderij. Voor het overige moeten zij de familie van het slachtoffer vermijden in herbergen.
Beide daders moeten 120 gulden betalen aan de familie van de overledene.

paeijsmakers
Paeysmakers in 1499
In 1498 of 1499 overleed Jan Henric Vendics door de handen van Amelis Claes Truyen en Michiel natuurlijke zoon van Denys Wouters. De betrokken families kiezen uit hun midden paeysmakers (“vredemakers”) en gaan rond de tafel zitten. Er zit ook een priester bij het overleg, heer Jan Appels, voor de familie van de overledene. Jan Henric Vendics en zijn familie woonden waarschijnlijk in Udenhout of in Berkel. De familie had in ieder geval ook bezittingen in Udenhout.
Als eerste krijgen de daders de opdracht om driee tortysen te maken, dat zijn kaarsen, met een waarde van een horensgulden, voor het zieleheil van de overledene. Zij moeten ook geld betalen om een kruis te plaatsen waar de familie van de overleden het wil plaatsen. De daders moeten samen drie bedevaarten doen, een naar Rome naar de Sint Pieter, een naar het heilige bloed van Wilsenaken (Bad Wilsnack in Noord-Duitsland) en naar de Drie koningen in de dom van Keulen. Zij mogen deze bedevaarten ook door iemand anders laten doen of een van hen mag dat doen. Er moet bewijs geleverd worden van het volbrengen van alle bedevaarten.
Heilig Bloedschrijn geopend in de St. Nicolaaskerk

De daders mogen drie jaar lang niet in Udenhout, Berkel, Oisterwijk en Enschot komen en zij mogen niet wonen in Udenhout, Berkel en Enschot, zolang de vader van de overledene, Hendrick Vendijck en zijn zoon Marcelis, broer van de overledene, nog leven.
De beide daders mogen niet in herbergen komen waar Henric Vendijcs en zijn zoon Marcelis aanwezig zijn en als zij als eerste in de herberg zijn gekomen, moeten ze weggaan als vader en zoon Vendijcs daar binnen komen. Tot slot moeten de daders en hun vrienden 60 gulden betalen aan de familie van het slachtoffer. De eerder genoemde Marcelis is gewond geraakt in hetzelfde gevecht waarin zijn broer overleden is en krijgt daar 12 gulden voor betaald door de daders.

Bermherticheijt in 1602
Op 3 mei 1602 doodt Gijsbert Stevens van Gemonden de vrouw van Adriaen Aert Thonissen, genaamd Cornelia, dochter van Jan Willems Verschueren. De familie van haar echtgenoot had meerdere landerijen in Udenhout in bezit op het Winkel en bij de Gommelsestraat. Deze zoenakte beschrijft heel gedetailleerd wat de dader moest doen aan publieke boetedoening.

Op 1 juni 1602 vindt er in de kerk van Oisterwijk sekeren dach van soene plaats waarbij o.a. heer Jan Roompot, priester en kapelaan in de kerk van Helvoirt, Jan Adriaens van Roij en Adriaen Peter Janssen aanwezig waren. Op 28 juni daaropvolgend vindt de bijeenkomst plaats waar schepenen van Oisterwijk de zoenakte opstellen in aanwezigheid van Adriaen Aert Thoniss, weduwnaar van de overleden Cornelia, Jan zijn zoon, mede uit naam van zijn broer Aerd en Jenneken en Adriana, zijn zusters. Zij vertegenwoordigen de naeste vrienden ende magen van bloets wegen van Cornelia. Tijdens de bijeenkomst van 1 juni zijn op voorspraak van de genoemde heren en goede mannen de vrienden van de overleden Cornelia meer geneijcht wesende tot bermherticheijt dan tot rigeur van Justicien. Dat houdt in dat zij den voirscreven misdadiger t voorscreven ongeval en nederslach om goidstwille ende vuijt gracien hebben vergheven. Zij schenken de dader vergiffenis, maar wel tegen een prijs:
1. De dader betaalt 6 karolus gulden voor 30 missen ten behoeve van de overledene in de kerk van Oisterwijk.
2. Hij betaalt twee karolus gulden voor reparatie van de kerk van Oisterwijk.
3. De dader moet in de kerk van Oisterwijk verschijnen bervoets ende bloots hooffs met een brandende wassen kersse van eenen ponde in sijne handen en hij moet tijdens de hoogmis voor het altaar van het heilige kruis midden in de kerk op zijn knieën vallen en bidden voor de ziel van de overledene.
4. na diezelfde hoogmis moet hij met de kaars naar het graf van de overledene gaan en daar, terwijl de vrienden van de overledene achter het graf staan, op zijn knieën vallen, zijn misdaad bekennen en voor God en de vrienden van de  overleden om vergiffenis vragen.
5. Hij moet daar blijven alsoe in oot moedicheijt sitten tot dat hem oirloff sall wordden gegeven op te staen ende alsdan mette voirscreven kersse te gaen voirden altaer vanden Edele heijlige Sacramant om de kaars daar te offeren en te laten staan.
6. De dader moet op bedevaart naar het heijlich bloet tot Boxtel, op een zondag in zijn kleren met een wassen kersse in zijn handen en hij moet in het midden van de kerk voor het hoogen choir soe lange de hooch misse dueren sal zitten bidden om vergeving. De pastoor van Boxtel moet hem bewijs meegeven dat hij dit ook daadwerkelijk gedaan heeft.
7. De dader betaalt aan de weduwnaar en zijn gezin 50 karolus gulden voor de kosten van de uitvaart en begrafenis en nog 25 soenguldens binnen zes weken. De dader is echter zo arm dat hem die betaling wordt kwijtgescholden en in plaats daarvan moet hij 10 gulden betalen.
8. De dader mag 10 jaar lang niet in de vrijheid van Oisterwijk komen. Doet hij dat wel dan moet hij alsnog de volledige som die hem is kwijtgescholden betalen.
9. De dader moet te allen tijde de familie en vrienden van de overleden vuijt hennen oogen te gaen, in huizen, landerijen op straten en wegen, waar dan ook.

Nederslach in 1616
In 1608 doodde Adriaen sone Adriaen Adriaenss van Tilborch tijdens een ongevall ende nederslach Joost, de zoon van Lambert Robbert Leijnen. De families Leijnen (ook van de Plas en Robben genaamd) en Van Tilborch woonden op de grens van Berkel en Udenhout, deels in de Zeshoeven. Pas in 1616 wordt de zoenakte opgesteld. Waarom dat zo lang heeft geduurd is niet bekend. Voor de misdadiger spraken tijdens meerdere dagen van soenen o.a. Gerit Geritss van Broechoven en Adriaen zoon Adriaen Jan Aertssen. Uiteindelijk weken de gemaakte afspraken niet veel af van de andere beschreven zoenakte, met uitzondering van twee bepalingen.
1. De misdadiger wordt opgedragen te offeren voir Sinte Anthonis inde Capelle tot Berckel een wassen kerssen van eenen pondt.
2. Daarnaast moet hij twee karolus gulden betalen tot reparatie vande Altaer van sinte Anthonis aldaer.

Het altaar van Sint Anthonis was waarschijnlijk het altaar van het gilde van Sint Anthonis en Sint Sebastiaan. Mogelijk was de familie Leijnen actief lid bij het gilde en in ieder geval betrokken bij het onderhoud van de kapel. 

Twee opmerkelijk zoenakten in Udenhout
Adriaen Cornelis Adriaen Berthens doodt in 1618 Jan Cornelis Adriaen Vermeer. Op 3 april 1618 is er overleg geweest onder leiding van heer Geldolphus van Rijckel, pastoor van de parochie Oisterwijk, met onder andere Aert Gerits van Broeckhoven en Willem Adriaen Brekelmans om te komen tot een verzoening.
Kapel gewijd aan St. Lambertus in Udenhout, gestaan bij het huidige kruispunt en gebouwd in 14798. Deze middeleeuwse kapel heeft tot 1788 daar gestaan en is toen vervangen door een achthoekige versie.

Op 4 mei 1618 verschijnen voor schepenen van Oisterwijk: Jenneke weduwe van de overledene, en met haar Cornelis Adriaens Vermeer vader van de overledene, Aert en Adriaen broers van de overledene, Wouter Joosten Vreijssen, Jan (Jacop?) zoon Peter Jan Joosten en Balthasar Adriaens, zwagers van de overledene. De bepalingen zijn grotendeels hetzelfde als eerder beschreven met een paar uitzonderingen:
- De dader wordt opgedragen om in de kerk van Oisterwijk of in de kapel van Udenhout, waar de vrienden van de overleden dat wensen, drie sielmisse te laten houden;
- De dader betaalt een godspenning van vier karolus gulden, de helft voor de kerk van Oisterwijk en de helft voor de cappelle van sinte Lamberts in Udenhoudt opte cruijstraete;
- Hij betaalt de onkosten die de chirurgijn heeft moeten maken om de overledene te bezoeken. Blijkbaar was het slachtoffer niet meteen overleden;
- Hij betaalt de weduwe en haar kinderen 400 karolus gulden in vastgestelde termijnen (in de marge staan de kwijtingen van die betalingen);
- De dader moet binnen zes weken zijn huidige woning in de cruijsstraete verlaten. In die straat wonen de meeste vrienden van de overledene. Hij mag de komende vijf jaar niet in Udenhout wonen en niet in Haaren. Hij mag alleen zijn schuur gebruiken tijdens de oogst, maar hij mag er verder niet werken of land bewerken; 
- De misdadiger mag de komende vijf jaar niet ter kerke gaan in de capelle opte cruijstrate, maar wel in de parochiekerk van Oisterwijk en de kapel van Berkel of elders.
Later blijkt dat de dader niet is vertrokken uit zijn woning en daarom vindt er opnieuw overleg plaats dat op 23 oktober leidt tot een aanpassing van de zoen. De dader mag tot mei 1619 in zijn huis blijven wonen. Daarna moet hij vertrekken, maar dat mag ook een woning zijn in de Houtsche straat of in den Biezenmortel zijn.

Schepenen van Oisterwijk verklaren dat in het jaar 1649 seker ongeluck ende manslach heeft plaatsgevonden in de persoon van Jan Adriaen Cornelis Berthens, jongeman, door Jan zoon Adriaen van den Boer, jongeman. Deze eerste Jan is de zoon van Adriaan Cornelis Adriaan Bertens en Adriana Willem Brekelmans, gedoopt op 9 september 1627 in de kerk van Oisterwijk. De zoon dus van de persoon die in 1618 Jan Cornelis Adriaen Vermeer heeft gedood. Toch sprake van een late wraakactie? Dat wordt uit de documenten niet duidelijk. De beide families sluiten een zoen met de gebruikelijke voorwaarden. 

Tot slot
Deze bijzondere vorm van rechtspraak is eeuwenlang gebruikt. Wanneer de zoenakte uit zwang is geraakt heb ik niet kunnen achterhalen. Waarschijnlijk zijn de laatste zoenakten in de 17de eeuw opgemaakt.

[Dit artikel is eerder gepubliceerd in 2015 Sprokkels 13]



dinsdag 5 mei 2026

Lepels van verzet

Ik ben in het bezit van drie lepels die zijn vervaardigd van zilveren munten uit de periode 1929 - 1940. Vermoedelijk heeft een van mijn grootouders deze lepels laten maken tijdens de oorlog, waarschijnlijk in 1941. 
De drie lepels van verzet
Alle munten bevatten de afbeelding van koningin Wilhelmina die van 1918-1948 koningin van Nederland was. In de oorlogsjaren was het o.a. gebruik om van die munten voorwerpen te maken zoals deze lepels en lepeltjes. Dat deden mensen dan als een stille vorm van verzet tegen de Duitse bezetting.

De munten verloren daarmee wel hun gebruikswaarde, door bv. het soldeersel, maar ze waren nog wel van zilver en die waarde verminderde niet.

De lepels zouden van allebei mijn grootouders kunnen zijn. Het meest voor de hand liggende is dat het de ouders van mijn moeder zijn geweest die tot deze actie zijn overgegaan. Opa en oma de Nijs hadden een winkel in huishoudelijks artikelen (galanteriën). Aanvankelijk stond hun winkel in de Heuvelstraat op nr 79 maar op 1 juni 1937 verhuisde het gezin en de winkel naar de Nieuwlandstraat nr 58.
Rechts in het midden is de winkel te zien van De Nijs.

Mijn Opa en oma de Nijs, waarschijnlijk jaren '60

De drie lepels zijn samengesteld als volgt: de grootste lepel bevat een muntstuk van 2 1/2 gulden uit 1932 en een 1/2 gulden uit 1930. De middelste lepel bevat een muntstuk van 1 gulden met een van 25 cents uit 1940. Het kleinste exemplaar bevat een muntstuk van 1/2 gulden uit 1929 met een dubbeltje uit 1937
De oudste munt bij de lepels, een 1/2 gulden uit 1929.
Portret van koningin Wilhelmina op het kwartje.



maandag 27 april 2026

De Spaanse griep in Udenhout

De legendarische Spaanse griepepidemie brak uit tegen het eind van de Eerste Wereldoorlog. Het aantal slachtoffers overtrof het totaal aantal gestorven soldaten in de Eerste Wereldoorlog met afstand. De oorlog kostte ruim 9 miljoen militairen het leven, het aantal slachtoffers van de Spaanse griep schommelde wereldwijd tussen de 20 en 40 miljoen. De hele wereld was in de greep van deze razendsnelle verspreiding van de griep die grote bevolkingsgroepen ziek maakte. Daarmee was de impact van de Spaanse griep veel ernstiger dan die van de befaamde Zwarte Dood (de pest) in de 14de en volgende eeuwen. De snelheid waarmee de Spaanse griep om zich heen greep en slachtoffers eiste kende geen precedent. Sindsdien is er nooit meer een dergelijke epidemie uitgebroken.

Tilburgsche Courant van 25 juli 1918 over de Spaanse griep en de gevolgen
voor de opkomst van nieuwe lichting soldaten. De eerste wereldoorlog woedde nog.

Wat is de Spaanse griep?
Hoewel de epidemie wereldwijd bekend staat als de Spaanse griep is de ziekte niet in Spanje uitgebroken, maar zeer waarschijnlijk in een legerkamp in de Verenigde Staten. Vanwege de censuur met betrekking tot de oorlog en alles wat daar mee te maken had in de oorlogvoerende landen, kwamen de eerste meldingen van deze epidemie uit Spanje. Spanje nam geen deel aan de oorlog, net als Nederland, en daardoor was de berichtgeving daar niet aan censuur onderhevig.

In maart 1918 brak de epidemie uit op de militaire basis Fort 
Funston in Kansas  en
 verspreidde zich over meerdere bases. Toen de troepenzendingen vanuit de Verenigde Staten op gang kwamen, verspreidde de ziekte zich in rap tempo in Azië en - wat later - in Europa. Aanvankelijk was het een gewoon griepvirus dat snel om zich heen greep. Er zijn twee golven van de epidemie zichtbaar. De eerste golf was in het voorjaar en die eiste nauwelijks slachtoffers. Toen de tweede golf in Spanje slachtoffers begon te eisen en zich sterk uitbreidde kwam de berichtgeving op gang en kreeg de ziekte zijn naam. In augustus 1918 was de helft van de Amerikaanse soldaten ziek van de griep. 43.000 van hen overleden in Europa. Bijna net zoveel als de 50.000 die aan het front stierven tijdens de oorlog. Ook de andere legerkorpsen kenden veel zieken en slachtoffers. De invloed van vier jaar oorlog op de kwaliteit en de hoeveelheid van het voedsel en het opeengepakt zitten van de soldaten in kazernes, legerkampen en aan het front, speelde zeker een rol.

De griep kon op twee manieren verlopen. In het eerste geval begon de ziekte als een 
gewone griep met de bekende symptomen: rillingen, hoesten, hoge koorts, keel- en
 spierpijn. Maar na vier of vijf dagen kregen patiënten longontsteking die onbehandelbaar was en waaraan ze vaak overleden. In het tweede geval werden de patiënten direct doodziek. De longen liepen vol met vloeistof en konden daardoor niet genoeg zuurstof opnemen. Ademhalen werd steeds moeilijker en het zuurstofgebrek kleurde het bloed, het gezicht en de lippen donkerblauw. Na een paar dagen, soms al binnen een paar uur, overleed de patiënt. Eigenlijk was het een verdrinking. 
Vandaar dat verschrikkelijke verhalen de ronde deden over de griep en menigeen zich afvroeg of het wel om griep ging.

De Spaanse griep in Nederland en Tilburg
Hoewel Nederland neutraal was en hier geen buitenlandse troepen kwamen, stak de griep er toch relatief snel de kop op. De Nieuwe Tilburgsche Courant berichtte in de editie van 4 juni 1918 over de ziekte in Spanje. Het artikel beschreef dat de ziekte na vier of vijf dagen voorbij was. Er was al wel sprake van slachtoffers. In juli schreef de krant over het uitbreken van de ziekte in Berlijn, Parijs en London. De eerste griepslachtoffers in Nederland waren arbeiders uit het oosten van het land die werkten in de industrie in het Duitse Ruhrgebied.

De epidemie situeerde zich vooral rondom de legerkampen in Nederland. Later kwamen er steeds meer meldingen van burgerslachtoffers. Op 31 juli meldde de krant dat er nog geen militaire slachtoffers waren gevallen. Er werden langzaamaan maatregelen afgekondigd om de griepuitbraak te beperken. Er kwam een verzoek om kermissen niet door te laten gaan en scholen te sluiten. 
In augustus meldden de Tilburgse kranten dat het hoogtepunt van de epidemie was 
bereikt en het aantal militaire slachtoffers terugliep. Onder burgerbevolking nam het aantal nog toe. De eerste sterfgevallen kregen aandacht in de krant, waaronder ook een Tilburgse militair. Op 24 augustus schreef de krant dat de examens van de Rijks HBS werden uitgesteld. Daarna stopte de berichtgeving. Het bleek de spreekwoordelijke stilte voor de storm te zijn.
Op 19 september 1918 verscheen de melding van een nieuwe uitbraak van de griep in Spanje. Daarna explodeerde de epidemie ook in Nederland. Een voortdurende stroom van berichten over scholen die gesloten werden en openbare bijeenkomsten die werden verboden, kwam op gang. Er kwamen nu ook berichten over longontsteking. De Spaanse griep pleegde een grote aanslag op de ademhalingsorganen en het ontstaan van longontsteking als gevolg van de griep kwam op grote schaal voor. Veel mensen overleden aan de longontsteking die de griep opvolgde. De krant berichtte nu dagelijks over het aantal sterfgevallen in de stad als gevolg van de Spaanse griep. Er verschenen overzichten met vergelijkingen met andere jaren. In de laatste week van oktober en de eerste drie weken van november 1917 overleden zeventig Tilburgers. In dezelfde maand in 1918 waren dat er 324, bijna vijfmaal zoveel. Het gezag greep in. Op 31 oktober werden de bioscopen gesloten en mochten er geen andere bijeenkomsten meer gehouden worden. Op dezelfde dag stonden er ook adviezen in de krant om de griep te 

voorkomen. Vooral frisse lucht was een aanrader. Maar wat ook hielp: Vergeet uw biechtvader niet. Een gerust geweten is een goed middel ook om het lichaam te sterken. 

Een week later, op 8 november, moesten deken en pastoors van Tilburg ingrijpen en de kerkgangers met griepgevallen in het gezin of in hun omgeving verzoeken niet meer ter kerke te gaan. Bovendien kortten ze de kerkdiensten in. Een dag later werden op verzoek van de burgemeester alle scholen gesloten. Naast de Spaanse griep heersten ook mazelen, kink- en slijmhoest. Het was ernst. Op 2 december gingen de scholen weer open en op 14 december meldde de krant dat de griep over zijn hoogtepunt heen was. Nog steeds waren er veel mensen ziek, maar het aantal nam af. De bioscopen en andere publieke gelegenheden mochten weer open en het openbare leven nam weer langzaam zijn normale ritme aan. 

Uiteindelijk stierven er ongeveer 60.000 Nederlanders aan de Spaanse griep, 22.000 aan de griep zelf en 38.000 aan de longontsteking die daarvan het gevolg kon zijn. 


De Spaanse griep in Udenhout 

Henricus van Heeswijk was
burgemeester van 1900 tot 1920.

Uiteraard bleef ook Udenhout niet verschoond van de Spaanse griep. Over het verloop van de ziekte in Udenhout is het een en ander bekend. 

Gealarmeerd door dr. J.L.

Lobach schreef burgemeester Van Heeswijk op

november 1918 aan de diverse bijzondere scholen in Udenhout dat hij er op aandrong de scholen voorlopig te sluiten. “De zich ter plaatse sterk uitbreidende Spaansche griep...” noodzaakte hem daartoe. Niet alleen de leerlingen waren ziek, maar ook veel leden van het onderwijzend personeel.
Op 8 november schreef 
pastoor Van Eijl “deed de zoogenaamde Spaansche griep haar intocht in Udenhout en maakte (vooral in Biezenmortel) spoedig 10 a 12 slachtoffers, behalve nog verschillende kinderen.”
 




Pastoor van Eijl was
pastoor van 1903 tot 1939.
Vijf dagen later schreef de burgemeester naar de commissaris van de Koningin en vroeg om tijdelijk meer geneeskundige hulp vanwege “het enorme aantal ziektegevallen die zich momenteel binnen deze gemeente voordoen”. Dr. Lobach stond er helemaal alleen voor in deze epidemie. Bovendien was er sprake van twee gevallen van febris typhoida (buiktyfus) waaraan één patiënt al was overleden. Die gevallen vonden plaats bij de zusters van Sint-Felix. De overledene betrof Adriana Giebels, zuster Theophile, die op 11 november 1918 het leven liet. Hoewel een begrafenis niet binnen 36 uur mocht plaatsvinden verzocht dokter Lobach vanwege de ziekte en het besmettingsgevaar het lijk wel binnen 36 uur te begraven. Burgemeester Van Heeswijk was verplicht deze ziekte te melden bij de gezondheidscommissie in Oisterwijk en bij de hoofdinspecteur van gezondheid in Noord-Brabant. In de brief naar de gezondheidscommissie schreef hij: “De alhier heerschende Spaansche  griep neemt in kwaadaardigheid toe, vele sterfgevallen doen zich de laatste dagen voor.“ 


De Udenhoutse slachtoffers 

In het archief van het Udenhoutse gemeentebestuur zijn de overlijdensverklaringen 

bewaard uit de periode van de Spaanse griep. Dat maakt het heel eenvoudig om het 

aantal slachtoffers te achterhalen. Verderop in dit artikel volgt een volledige lijst van 

slachtoffers. 

Op 29 oktober overlijdt Elizabeth van der Steen. Zij is dan negen jaar oud. Als overlijdensoorzaak wordt griep (influenza) op de overlijdensverklaring ingevuld door 

Dr. Lobach. Ondanks het feit dat er geen Spaanse griep staat ingevuld beschouw ik haar als het eerste slachtoffer van de Spaanse griep in Udenhout. Vervolgens blijft het een week rustig, maar op 6 november is het volgende slachtoffer te betreuren: 

Jan van Rijn. Hij is 32 jaar. Dan volgt op 7 november de eenjarige Lucia van den Bersselaar. Er volgen dan nog twaalf andere slachtoffers in november. Op 26 november overlijdt de laatste: Henrica Timmermans, zes jaar oud. 

In de tussenliggende periode zijn er twee gezinnen die elk twee slachtoffers te 

betreuren hebben. Op 11 en 13 november overlijden de zusjes Christina en 

Francisca van Antwerpen, een tweeling van 3 jaar oud. Het gezin was naar Udenhout gekomen op 1 februari 1918 vanuit Berkel. Op 6 februari 1919 vertrokken de ouders terug naar Berkel met hun enige nog levende kind. Op 11 november overlijdt ook Hendrikus Verhoeven, 58 jaar en zes dagen later zijn dochter Johanna, 26 jaar oud.


Josephus Lobach was
huisarts van 1908 tot 1945.

In Udenhout overlijden relatief veel jonge kinderen aan de Spaanse griep. Het opvallende aan de Spaanse griep was vooral dat het de adolescenten trof, een groep tussen 20 en 40 die normaliter bij griepuitbraken het minste risico liep. Dan vielen de slachtoffers onder de ouderen of de jonge kinderen. Udenhout was in dit geval een uitzondering aangezien van de vijftien slachtoffers er zeven jonger waren dan 10 jaar. Twee waren er ouder dan 45. De leeftijd van de overige zes slachtoffers varieerde van 17 tot 32 jaar.In 1917 lag het sterftecijfer in Udenhout al beduidend hoger dan de jaren daarvoor. Ik heb daar geen bijzondere reden voor kunnen vinden. Er overleden in dat jaar 86 personen, tegen 53, 60 en 56 in de drie voorafgaande oorlogsjaren. Dat is een behoorlijke stijging.

De gemeenteverslagen maken geen melding van bijzondere 

gebeurtenissen, waardoor het sterftecijfer 50% was toegenomen. In 1918 bedraagt 

het aantal overledenen 88. Het is opvallend dat in 1917 de verdeling van de 

sterfgevallen redelijk verspreid is over het jaar, met een uitschieter in maart van 13. 

In 1918 zit het venijn in de staart van het jaar met 25 sterfgevallen in november en 11 

in december. Na 1918 daalt het sterftecijfer naar 75 in 1919 en 73 in 1920.

Er zijn ook opvallend veel gevallen van longontsteking in dezelfde periode. Terwijl er 

in andere jaren twee of drie gevallen van longontsteking zijn door het jaar heen, 

vallen er tussen 28 oktober en 7 december 1918 vier heel jonge slachtoffers door die 

aandoening. Mogelijk ligt bij deze sterfgevallen ook een relatie met de Spaanse 

griepepidemie. Op 15 en 31 januari 1919 zijn er ook nog twee overledenen door 

longontsteking. 

Als de wapenstilstand op 11 november 1918 wordt getekend heerst de Spaanse 

griep in al zijn hevigheid. 

Zo ging de herwonnen Europese vrede gepaard met een ongekende en dodelijke 

epidemie die in het neutrale Nederland ook hard toesloeg. Udenhout deelde in het 

leed. 

 

Lijst van overleden aan de Spaanse griep in Udenhout

1. 29 oktober 1918 - Elizabeth van der Steen - influenza - 9 jaar – ouders Wouther 

van der Steen en Francisca Heessels 

2. 6 november 1918 - Jan (Johannes Gerardus) van Rijn - Spaanse griep - 32 jaar 

– geboren in Den Haag - wonende te Tilburg – ouders Jacobus Johannes van 

Rijn en Anna Maria Teijertag 

3. 7 november 1918 - Lucia van den Bersselaar - Spaanse griep - 1 jaar – ouders 

Jan van den Bersselaar en Wilhelmina de Jong 

4. 11 november 1918 - Christina van Antwerpen – Spaanse griep – geboren te 

Berkel – 3 jaar – ouders Marinus van Antwerpen en Johanna Maria van Esch 

5. 11 november 1918 - Hendrikus Verhoeven - Spaanse griep - 58 jaar – gehuwd 

met Johanna Vugts - geboren te Oisterwijk – ouders Nicolaas Verhoeven en 

Johanna de Bever 

6. 11 november 1918 - Petronella van de Laak - Spaanse griep - 19 jaar – ouders 

Frans van de Laak en Cornelia Witlox 

7. 13 november 1918 - Antonius Brekelmans - Spaanse griep - 24 jaar – ouders 

Adriaan Brekelmans en Adriana van Dun 

8. 13 november 1918 - Cisca (Francisca) van Antwerpen - Spaanse griep - 

geboren te Berkel - 3 jaar – ouders Marinus en Johanna Maria van Esch 

9. 15 november 1918 - Adriana (Maria) Brekelmans - Spaanse griep - 17 jaar - 

geboren te Berkel – ouders Johannes Brekelmans en Johanna Mutsaerds 

10. 17 november 1918 - Johanna Verhoeven - Spaanse griep - 26 jaar – ouders 

Hendrikus Verhoeven en Johanna Vugts 

11. 17 november 1918 - Cornelis van Loon - Spaanse griep - 48 jaar - geboren te 

Nieuwkuik – ouders Willem van Loon en Clasina van Zon 

12. 20 november 1918 - Franciscus van Roessel - Spaanse griep - 29 jaar – ouders 

Jacobus van Roessel en Adriana Bertens

Overlijdensverklaring Frans van Roessel
  
Frans van Roessel, slachtoffer van de Spaanse Griep
13. 21 november 1918 - Hendrika (Maria Josephina) Vercammen - Spaanse griep - 

24 jaar – ouders Cornelis Vercammen en Johanna van de Pas 

14. 23 november 1918 - Wilhemina Adriana Smolders - Spaanse griep - 1,5 jaar – 

ouders Willem Smolders en Johanna Denissen 

15. 24 november 1918 - Johannes Mathijssen - Spaanse griep - 1,5 jaar – ouders 

Marinus Mathijssen en Cornelia Hamers 

16. 26 november 1918 - Hendrika Timmermans - Spaanse griep - 6 jaar – ouders 

Petrus Timmermans en Gerarda Vermolen 

Overleden aan longontsteking in dezelfde periode 

17. 28 oktober 1918 - Johannes Marinus Denissen - 21 maanden – ouders 

Johannes Denissen en Anna Gerarda van Diessen 

18. 15 november 1918 - Johanna van Heel - 1 jaar – ouders Jan van Heel en 

Antonia van Os 

19. 22 november 1918 - Theodora van Amelsfoort - 11 maanden – ouders Johannes van Amelsfoort en Anna Boons 

20. 7 december 1918 - Adrianus Vermeulen - 4 maanden – ouders Petrus Vermeulen en Anna Vercammen 

 

Genoemde personen 5, 9, 10, 14, 16 en 20 woonden in Biezenmortel. De andere 

veertien in Udenhout.

Vader Henricus Verhoeven en dochter Johanna Verhoeven overleden beiden binnen eé'n week ten gevolge van de Spaanse Griep.

 

Gebruikte bronnen 

Regionaal Archief Tilburg 

865. Archief gemeentebestuur van Udenhout, 1814-1925. Inventarisnummers: 181 Register van uitgaande brieven van de Burgemeester, 20 september 1917 - 31 januari 1921; 325 Overlijdensverklaringen 1900 – 1925; 887 Stukken betreffende de hulp aan Belgische vluchtelingen en buitenlandse kinderen, 1914 -1918 en 920 (Ambtenaar) van de Burgerlijke Stand van de gemeente Udenhout, 1811-1950, overlijdensregisters 1914, 1915, 1916, 1917, 1919 (via website www.regionaalarchieftilburg.nl).

Parochiearchief van de Johannes XXIII-parochie 

Memoriaal van pastoor Van Eijl.


Websites 

(laatst geraadpleegd op 10 juni 2014) 

http://nl.wikipedia.org/wiki/Spaanse_griep 

http://nl.wikipedia.org/wiki/Eerste_Wereldoorlog 

http://griep.blog.nl/spaanse-griep/2006/09/13/het_monster_van_1918 

http://www.wereldoorlog1418.nl/spaanse griep/ 

http://www.w8.nl/spgriep.htm 

http://kranten.delpher.nl/ krantenberichten Tilburgsche Courant en Nieuwe Tilburgsche Courant

[Dit artikel is eerder verschenen in Sprokkels 15, Jaarboek van Heemcentrum 't Schoor Udenhout/Biezenmortel pp. 11-17]