Misschien kent u de Tongerlose hoeve in
Tilburg. Een restant van een sterke verbondenheid tussen de parochie
Tilburg en de Norbertijnenabdij van Tongerlo. Veel minder bekend is
dat er in Udenhout drie Tongerlose hoeven hebben gelegen. Die
onbekendheid is op zich niet zo vreemd aangezien die hoeven al ruim
400 jaar geleden in andere handen overgingen. De drie hoeven lagen
respectievelijk op de plaats van de ontmantelde molen aan de Loonse
Molenstraat, de "Gele Hoef" aan de Waalwijkse weg en de
hoeve Waalwijkseweg 8. Dit stukje Udenhoutse geschiedenis is het
onderwerp van het onderstaande artikel.
 |
| De abdij van Tongerlo anno 2001 |
De hertog van Brabant kreeg in de
eerste helft van de 13de eeuw steeds meer greep op het oostelijk deel
van de huidige provincie Noord-Brabant. Het gebied rond Tilburg en
Oisterwijk raakte omstreeks 1223 stevig in zijn bezit. De nieuwe
bestuurlijke indeling van het gebied maakte 's-Hertogenbosch tot
hoofdstad van dit deel van Brabant. Er kwam een onderverdeling in
vier kwartieren. Oisterwijk ontving van de hertog rond 1230
stadsrechten en kreeg de status van hoofdplaats van het kwartier van
Oisterwijk. Daarmee kreeg het gebied rondom Oisterwijk de
mogelijkheden om zich te ontwikkelen. Udenhout viel onder het
rechtsgebied van Oisterwijk.
Om zijn nieuw verworven gebieden tot
economische groei te brengen gebruikte de hertog van Brabant onder
meer de kloosters in zijn hertogdom.
Tongerlo verwerft bezit in Udenhout
De abdij van Tongerlo ontving van
hertog Hendrik I in 1232 het recht van houtkap in stukken van het bos
van Udenhout. Welke gedeelten dat precies waren is niet duidelijk. Op
de valreep van de 13de eeuw in 1299 (of 1290, hierover spreken de
bronnen elkaar tegen) ontving Tongerlo van hertog Jan II ook nog eens
acht hoeven land om te ontginnen. We weten niet waar die hoeven
gelegen hebben, evenmin of de hoeven een aaneengesloten stuk grond
vormden. Overigens, de hertog deed niet aan liefdewerk, de abdij
moest uit deze schenking wel een jaarlijkse cijns van 12 schellingen
voor elke hoeve betalen.
De term "hoeve" betekent hier niet een
volledig uitgeruste boerderij maar was een vlaktemaat. Nieuw land dat
men wilde ontginnen werd ge"hoefslaagd". Men deelde een
omvangrijk terrein in door de percelen letterlijk af te palen en te
verdelen in hoeven. Een hoeve noemde men in het latijn een mansus
terre, vertaald een hoeve lands. Het perceel moest zo groot zijn dat
een huishouden er van kon leven. Een hoeve kende verschillende
soorten grondgebruik. Het akkerland was vanzelfsprekend nodig voor de
graanbouw. Weilanden en beemden voor het vee en het hooi. Het vee was
onmisbaar vanwege de voortdurende noodzaak om het land door bemesting
vruchtbaar te houden. De mest van het vee dat in de stal stond,
vermengde de boeren met allerlei rouware of straaisel. Dat haalden ze
van de heivelden, onder de heggen, uit de sloten en elders van het
land. Er was hout nodig voor de stookplaats, het bakhuis, voor het
onderhoud aan huis en haard, voor de omheiningen. Turf was nodig als
brandstof, stro als dakbedekking. Het kwam maar zelden voor dat al
het land van een hoeve aan elkaar lag. In Udenhout lagen b.v. de
moervelden voor de turfwinning vooral in en rond de Brand. Aan
geschikt weiland ontbrak het nogal eens, zodat nogal wat hoeven
hooibeemden bezaten in het poldergebied bij Waalwijk.
Tongerlo maakt zijn bezit productief
Op 4 mei 1306 maakt de abdij van
Tongerlo het bezit in Udenhout te gelde.
Diederik van de Venne koopt 24 bunder
bij het bos (iuxta quoddam fossatum) en
Henrick Toyte 12 bunder in Aschhout.
Zij moeten die grond ontginnen en er gebouwen op plaatsen. Diederik
betaalt jaarlijks een cijns (vergoeding in geld) van 14 pond zwarte
tournooisen en 12 kapoenen en Henrick 10 zwarte tournooisen.
 |
herede H(er)ma(nn)ij Ve(n)ma(n) xiiii lib. ant. xii cap. De erfgenamen van Herman staan in het cijnsboek van 1362 ingeschreven voor een bedrag van 14 (xiiii) ponden (lib.) en 12 (xii) kapoenen (cap.) net als hun voorvader Diederik van de Venne. |
Op
dezelfde dag krijgt Jan Lumbart van Berkel de helft van het bos van
Udenhout voor een periode van 4 jaar. Hij verkrijgt het recht om daar
hout te kappen. Daarna komt het weer in handen van de abdij.
Behalve de hertog dragen ook
particulieren delen van hun bezit over aan de abdij van Tongerlo. Met
name in het begin van de 14de eeuw breidde Tongerlo zijn bezit op die
manier uit. Zo verkocht Jan Blonde uit Waalwijk op 30 oktober 1309
een erfpacht van 29 1⁄2 mud en lopen rogge uit 3 1⁄2 hoeven in
Udenhout aan de abt van Tongerlo. Hij had vier hoeven in het bos van
Udenhout drie jaar eerder gekocht. In september 1316 verkocht
Albertus Vette grond aan Tongerlo. De 5 dochters van Johannes Back
deden hetzelfde in december van dat jaar.
In 1314 verkocht de abdij van Tongerlo
weer 35 bunder uit haar groeiende bezit in Udenhout aan 12
particulieren. Deze percelen waren belast met een erfelijke cijns die
eeuwenlang te volgen is in de cijnsregisters van het abdijarchief.
 |
Cens(us) in Udenhout f(e)rie sec(un)da p(os) purific(atione) Kop van de cijnsen van Udenhout in het scijnsboek van Tongerlo dat begon in 1375. |
De hoeven in Udenhout
Uit dit verworven bezit ontstonden de
drie hoeven in Udenhout die de abdij verpachtte. Volgens de bronnen
liggen twee ervan steevast op Udenhouts grondgebied terwijl de derde
de ene keer onder Loon op Zand en dan weer onder Udenhout valt. Later
zal blijken waarom: de helft van de landerijen lag op het grondgebied
van Loon op Zand.
De belasting op haardsteden (plaatsen
waar je vuur mocht stoken) is al oud. Een register van Schouwen,
heersteden, oovens, furnuysen, smissen etc. uit de 16de eeuw vertelt
ons dat de twee hoeven in Udenhout verpacht waren aan Willem Zeghers
en Wouter Henricsz. De hoeve onder Venloon (de oude naam van Loon op
Zand) had Peeter Gherits als pachter. Een bijlage bij dat register
bevat een redelijk gedetailleerde beschrijving van de vuurplaatsen.
De hoeve van Willem Claes Zeghers had
eenen ronden heert ende den back ooven staende buijten den huijse in
een huijske met een steenen pijp vuijt roeckende. Omdat de bakoven
veel in gebruik was betaalde hij dubbel. Dat kostte hem 2
rijnsgulden.
De hoeve van Wouter Henricsz had eenen
ronden heert ende eenen back oven staende in een huijsken buijten den
woenhuijse. Daarvoor betaalde hij 1 1⁄2 carolusgulden.
Bij de hoeve van Peeter Gherits was het
weer anders. Die had eenen ronden heert ende eene scoorsteen op die
camer ende den back ooven roekende doer een steenen pijp vuijt wat
hem ook 2 rijnsgulden kostte.
Een opgave van de Udenhoutse hoeven uit
1554 ten behoeve van de inning van de 10de en 20ste penning vertelt
ons wat meer over de grootte. Overigens lag de hoeve van Peeter
Gherits, die nog steeds pachter was, nu weer in Udenhout. Zijn
pachtsom bedroeg 18 mud rog, 6 rijnsgulden, en 12 el laken. Wouter
Henricsz had een vergelijkbare hoeve want hij betaalde 16 mud rogge,
16 rijnsgulden en 12 el laken.
Willem Claes Zeghers was het goedkoopst
uit: hij betaalde 8 1⁄2 mud rogge, 4 rijnsgulden en ook 12 el
laken.
 |
De strook land langs de Asschotse steeg met daarbij in zwart de percelen die bij de Tongerlose hoeven horen.
|
Later in de 16de eeuw komen we
uitgebreide beschrijvingen tegen van deze hoeven. De verschillende
percelen en hun ligging staan behoorlijk nauwkeurig beschreven. De
hoeve van Claes Willems (zeer waarschijnlijk de zoon van Willem Claes
Zeghers) het was normaal dat kinderen van een
pachter bij overlijden van hun vader de pacht overnamen en voortzetten) bestond uit
een huis en schuur met een hof, rogland, weiland en heivelden met een totale
oppervlakte van 5 1⁄2 mudzaad. Deze landerijen lagen aan elkaar aan de Houtse straat.
Daarnaast lag er nog zo'n 20 bunder land verspreid over Udenhout (o.a. een
weiland in den Cuijlen en een hooiveld in den Asschot) en Tilburg.
Jan de Meijer pachtte de andere hoeve.
Deze hoeve bestond ook uit een huis en schuur, erf en hof. Direct bij
de hoeve liggen nog 31 lopen akkerland en 6 lopen weiland. Verderop
lag nog ongeveer 20 bunder in Udenhout (o.a. dosseweij, den langen
hoff en een beemd genaamd dascot) en heivelden in Tilburg. Beide
hoeven hadden (hooi)beemden in den Asschot of dascot. Hierin
herkennen we de naam Asschout die genoemd staat bij de verpachting
van 12 bunder aan Hendrik Toyte van Berkel in 1306. Daaruit blijkt
dat de hoeven zeer waarschijnlijk na de verwerving zijn uitgebreid
met deze beemden aan de Asschotse steeg.
De derde hoeve wordt gesitueerd in Loon
op Zand maar de belendingen duiden op Udenhout. De pachter was toen Peter
Aerts als opvolger van Gijsbert de Meijer. De percelen in Udenhout besloegen 20
bunder met nog hetzelfde oppervlak in Loon op Zand. |
De ligging van de 3 (later 4) hoeven van Tongerlo aan de Loonse Molenstraat (kadasternummers A 427 en A 431 en de Houtse straat (kadasternummers F 243 en F 329 op basis van de kadasterkaart van 1832.
|
De pachters
Een pachtcontract uit 1576 geeft ons
een kijkje in het leven van de pachter en vooral de verplichtingen
waar hij zich aan moest houden. De pachter, dat was toen Marcelis
Cornelis Otten uit Hilvarenbeek als opvolger van Willem Claes
Zeghers, pachtte de hoeve voor een periode van 6 of 12 jaren. We
bevinden ons dan in de periode dat de abt van Tongerlo tevens
bisschop van 's-Hertogenbosch was. Dat zien we ook terug in de
verplichtingen van de pachter.
 |
Familie van de Brand bij de oude Geel Hoef. Achterste rij: Mina met Rika op de arm, moeder vd Brand-van Gaans, Anna en Nellie. Zittend: Sier, Kees, Marie, Piet, Giel en Toon. Vader Jan vd Brand den zoon Ko staan niet op de foto want die waren op het land |
De pacht bedroeg in totaal 14 mud rogge
die de pachter op lichtmis (2 februari) moest leveren in het huis van
de abdij in 's-Hertogenbosch. Kon de pachter niet aan deze
verplichting voldoen, dan werd zijn boete bepaald aan de hand van de
marktprijzen van de markt in mei daaropvolgend. Hij moest ook stro
leveren aan de bisschop van den Bosch.
Het was gebruikelijk dat de veestapel
voor de helft aan de pachter toebehoorde terwijl de andere helft van
de verpachter, in dit geval de abdij van Tongerlo, was. Ieder jaar
legde de pachter verantwoording af aan de abdij over het reilen en
zeilen van de hoeve. In het contract lag vast dat hij dan minimaal in
het bezit was van zes koeien, vier trekossen, twaalf runderen, vier
kalveren, negentig schapen en drie paarden. Het valt op dat de
varkens ontbreken. Nu telt Noord-Brabant een enorme varkenspopulatie
maar in de 16de eeuw mocht een pachter zelf kiezen voor het houden
van varkens. In het pachtcontract was wel vastgelegd dat het houden
van de varkens niet ten koste mocht gaan van de rest van de
veestapel.
Er stonden ook boetes op het ontbreken
van beesten. Een kalf te weinig kostte de pachter 25 stuivers en een
schaap te weinig kostte 20 stuivers. Voor de overige beesten bepaalde de marktprijs van dat
moment de boete. |
Molenaar Teurlings van de molen in de Loonse Molenstraat |
Voordat hij de schapen mocht scheren,
moest de pachter de rentmeester van de abdij laten komen. De
opbrengst verdeelden ze samen.
Het was de pachter ook verboden om
ennich hoeij, stroo, ghers, heijde oft andere rouware te verkopen of
te ruilen. Alles moest ten goede komen aan de eigen veestapel of de
gebouwen.
Het pachtcontract verbood de pachter om
andere beesten te houden op de hoeve of meer land te bewerken dan dat
bij de pachthoeve hoorde. Hij mocht ook geen land van de pachthoeve onderverpachten of uit handen geven.
De pachter was verplicht om alles in
goede staat te houden. Dat gold niet alleen voor het huis en de
andere gebouwen, maar ook voor de sloten, de wegen, de houtwallen, de hekken en dijken. De kleine
reparaties aan huis en gebouwen kon de pachter meteen laten uitvoeren. Hij kreeg de
gebruikte materialen van de abdij terug of vergoed.
Als de pachter nieuwe gebouwen
wilde zetten kreeg hij, na goedkeuring, ook het hout en het ijzer van de abdij.
Tweemaal per jaar moest hij zich verantwoorden, anders kreeg hij geen
vergoeding voor de gemaakte onkosten. Als er sprake was van grooten
hagelslach of heirvaerden (legers die door het land trokken) wilde de
abdij binnen drie dagen daarover ingelicht worden en de schade
betaalden ze samen.
Het opgaande hout op de hoeve stond
niet vrijelijk tot de beschikking van de pachter en ook aan het
hakken van schaarhout waren voorwaarden verbonden. Hij moest
jaarlijks 50 eiken heesters planten.
Bij het verlaten van de hoeve
aan het eind van de pachttijd verplichtte de pachter zich om een
goede mestvaalt achter te laten. Hij mocht zijn beesten na 31 maart
niet meer weiden op de hooibeemden. Ten slotte was de pachter
verplicht om twee of drie keer per jaar op de abdij van Tongerlo te
gaan werken met paard en wagen en vijf of zes keer bij de bisschop in
's-Hertogenbosch.
 |
| De in 1868 gebouwde molen in de Loonse Molenstraat hier nog met wieken. |
Tongerlo verliest zijn Udenhoutse
hoeven
De geloofsconflicten die in de loop van
de 16de eeuw steeds grotere vormen aannamen hadden grote gevolgen voor de
abdij van Tongerlo. In een poging om de invloed van buitenaf tegen te gaan
wilde koning Filips II komen tot een nieuwe indeling van bisdommen in de
Nederlanden. Viel het gebied van de Nederlanden tot 1560 deels onder het bisdom van Keulen
en deels onder dat van Luik, onderhandelingen met de paus leidden er
toe dat er een geheel nieuwe verdeling kwam.
Één van die wijzigingen betrof de
oprichting van het aartsbisdom Mechelen met o.a.
een bisschopszetel in 's-Hertogenbosch.
Formeel startte het bisdom 's-Hertogenbosch op 11 maart 1561 onder
leiding van de eerste bisschop Franciscus Sonnius. Om deze nieuwe bisschop van
inkomsten te voorzien lijfde Filips II de abdij van Tongerlo in bij het nieuwe bisdom.
De bisschop van 's-Hertogenbosch werd tevens abt van Tongerlo. De monniken
waren het helemaal niet eens met deze
beslissing. Zij kozen al eeuwenlang een
abt uit hun midden en nu was dat recht hun ontnomen. Bovendien zouden de inkomsten
van de abdijgoederen nu nog maar ten dele ten goede komen aan hun eigen
abdij. Het terugwinnen van hun zelfstandigheid werd de inzet van een strijd die duurde
tot 1590. Op 25 augustus van dat jaar kwamen de onderhandelaars tot een
vergelijk met de toenmalige bisschop Clemens Crabeels waardoor het bisdom en de
abdij weer los van elkaar kwamen te staan.
Daarbij verloor Tongerlo wel een
aanzienlijk deel van zijn bezittingen in het bisdom 's-Hertogenbosch, waaronder de hoeven
in Udenhout. Die kwamen nu in bezit van de bisschop van 's-Hertogenbosch en de
bronnen spreken vanaf dan van bisschopshoeven. Tijdens de regering
van bisschop Metsius (1570-1577) kregen de drie Udenhoutse hoeven een zware
beproeving te verduren. In de strijd tussen de opstandige gewesten en Spanje staken de
Geuzen de drie hoeven in brand.
 |
| De huidige molen in de Loonse Molenstraat zonder wieken. |
Lang zijn de Udenhoutse hoeven niet in
handen van de bisschop gebleven. In 1629 veroverde Frederik Hendrik
's-Hertogenbosch definitief op de Spanjaarden. Bisschop Michael Ophovius ondertekende de
overgave van de stad op 14 september van dat jaar. Het betekende voor hem dat hij in
ballingschap moest gaan. De nieuwe regeerders weerden alles wat paaps was
uit de stad. De bisschoppelijke goederen buiten de stad bleven aanvankelijk in
bezit van de bisschop terwijl de bezittingen in de stad in handen kwamen van de
rentmeester van de geestelijke goederen. Na het overlijden van bisschop Ophovius in
Lier op 4 november 1637 maakte rentmeester Pieter Schuijl van Waldhoorn aanstalten
om ook de goederen in de provincie onder zijn beheer te brengen. De Staten
Generaal floot hem echter terug met een resolutie van 17 februari 1639 en gaf het beheer
van die bezittingen in handen van Jan van den Heuvel en Laurens van Loemel,
voormalige rentmeesters van de bisschop. De Raad van State, belast met het bestuur
over de bezette katholieke gebieden en daarom ook de baas van rentmeester
Pieter Schuijl klom meteen in de pen. Op 18 maart schreef de Raad van State een
brief naar de Staten Generaal waarin zij verklaarde niets te begrijpen van het
besluit de ontfanck aen vreemde luijden te
betrouwen, die van andere gesintheijt
sijn, die domestijque dienaers geweest sijn, vanden Bisschop, ende consequentelijck
niet genegen tot desen Staet. Hun bezwaar sneed blijkbaar hout want de Staten
Generaal besloot op 9 juli 1639 dat de goederen onder beheer van rentmeester Schuijl
kwamen. Op dat moment kwamen de drie bisschopshoeven in Udenhout onder
beheer van deze rentmeester en feitelijk in handen van de republiek der Verenigde
Nederlanden.
Verkoop aan particulieren
De Raad van State ging enkele jaren na
de vrede van Munster in 1648 over tot de verkoop van een groot aantal hoeven die
in zijn bezit waren gekomen door de confiscatie van bezittingen van de
katholieke kerk. De Raad van State wilde deze landerijen te gelde maken en ging
daarbij niet over één nacht ijs. Om de publieke verkoop tot een succes te maken was het
van belang de hoeven te bezoeken om op basis daarvan een goede taxatie te
krijgen. Er kwam een boekje met de verkoopvoorwaarden en een
aanplakbiljet met een nauwkeurige opgave van de afzonderlijke hoeven, om daarmee kopers
te interesseren.
Zo gebeurde het dat op 17 oktober 1658
de heeren Cant, Van Loo en Van Beverningh, als gecommitteerden van de
Raad van State, een inspectietocht hielden o.a. naar de te verkopen geestelijke
goederen in Udenhout. In hun verslag staat:
van daer (Tilburg) voorts gereden op
Udenhout, ende aldaer inspectie genomen
vande twee hoeven beseten bij Hubert
Jans Piggen ende bij de weduwe van Jacob
Marcelis; waer mede dien dagh ten avont
gebracht wesende sijn heel laet gearriveert
binnen shertogenbosch. Ze beschreven
keurig de staat waarin de Udenhoutse hoeven zich bevonden.
 |
| In de omgeving van de huidige Geel Hoef vlag een hoeve van Tongerlo. |
De hoeve van Huibert Jan Piggen,
gelegen aan de Houtse straat, had een heel vervallen huise ende
schuer, 150 off 200 boomen maer seer dun ende onbequam tot timmerhout
en het land meest bijeen. De hoeve van de weduwe van Jacob Marcelis,
eveneens aan de Houtse straat, was er niet veel beter aan toe:
Vervallen huijs ende schueren, seer weijnigh hout en tlandt meest bij
malcanderen.
In datzelfde jaar 1658 gingen de twee
hoeven aan de Houtse straat in de verkoop.
De koper was baron Willem Vincent van
Wittenhorst. De hoeve van pachter Huijbert Jan Piggen leverde de staatskas 8.300
gulden op en de hoeve van de weduwe Jacob Marcelis bracht 6.200 gulden in
het laatje. De aantekeningen van de rentmeester laten zien dat baron van
Wittenhorst dit bedrag in drie termijnen betaalde op 1 mei 1659, 1 november 1659
en op 1 mei 1660.
.jpg) |
| In deze omgeving aan de Loonse Molenstraat lag een Tongerlose hoeve. |
In 1664 ging de derde hoeve, gelegen
aan de Loonse Molenstraat, ook van de hand. Volgens het inspectierapport bestond de
hoeve van pachter Steven Wouter Stevens uit een huijs, koijestal annex,
verckenscot ende backhuijs, ende bij den hoevenaer aenvaert met de halve schaer, ende was
de huijsinge in redelijcke reparatie, sulcx dat den hoevenaer daer over niet en
claegde en landerijen van in totaal 34 bunder.
Het hout op deze hoeve staat heel
nauwkeurig opgesomd:
26 opgaande boomen, sommige stijff 1
voet ende de andere wat minder
38 jonge opgaende eijcxkens van 4 a
vijff duijm
59 eijcke opgaende boomen waervan 7 a 8
dick waren stijff een voet sommige
minder ende sommige 4 a 5 duijm
60 bercxkens ende 12 crotachtige boomen
eenige plantagie van jonge bercken wel
wassende, eenigh 2 jarigh schaerhout, 5
a 6 jarigh schaerhout
2 rijpe eijcke boomen een quart heer
ter bosken niet wel wassende
120 opgaende eijcke boomen, het
meerendeel van dien van 5 a 6 duijm oock eenige
swaerder, noch diverse jonge boomen met
eenige quade crodden, schaerhout van
drie ende 4 jaren out.
 |
| Ook in deze omgeving van de Waalwijkseweg lag een hoeve van de abdij van Tongerlo. |
Steven Wouter Stevens verklaarde
tegenover de inspecteurs dat hij niet in staat was om al zijn land te bewerken. Zij
stelden dan ook voor om de hoeve te splitsen in twee afzonderlijke hoeven zodat die meer
geld zouden kunnen opbrengen. Maar dat liet de Raad van State over aan de nieuwe
eigenaars: de broers Adriaen en Jan van der Meijden. Zij betaalden de som van
12.000 gulden voor deze hoeve.
De nieuwe eigenaars splitsten de hoeve
aan de Loonse Molenstraat en die twee hoeven gingen in de 18de eeuw
over in Udenhoutse handen. De twee hoeven in de Houtse straat bleven
tot na 1832 in "vreemde" handen. Pas in de loop van de 19de
eeuw kwamen ze in bezit van Udenhouters. Daarmee verdwenen de sporen
van dit oude bezit van de abdij van Tongerlo definitief uit het
geheugen.
Misschien dat de keuze voor de naam Tongerloplein bij nader
inzien een hele goede is geweest.
Gebruikte bronnen:
Ambr. Erens, O. Praem., Tongerloo en 's
Hertogenbosch; de dotatie der nieuwe bisdommen
in Brabant 1559-1596, (Tongerloo, 1925)
Mechelien Spierings, De rol van de
abdij van Tongerlo bij het ontstaan van het dorp
Udenhout, in: De Kleine meierij, jrg.
40, nr. 2, pp 51-56.
Prof.em.dr. R. van Uytven (red.) et al,
Geschiedenis van Brabant van het hertogdom tot
heden, ('s-Hertogenbosch)
Brabants Historisch InformatieCentrum
in 's-Hertogenbosch:
Archief van de ontvangers der
belastingen en rentmeesters; inv.nrs. 127, 183.
Nationaal Archief in Den Haag:
Archief Raad van State; inv.nrs.
2156-II, 2156-III, 2157.
Abdij-archief van Tongerlo:
Sectie II register 284 en 285
(verpachtingen van de hoeven).
Regionaal Archief Tilburg:
Schepenbank Oisterwijk, inv.nr. 466,
transport van 11 november 1716.
Dorpsbestuur Udenhout; inv.nrs. 106-118
(verpondingskohieren).
Stadsarchief 's-Hertogenbosch:
Bosch protocol, inv.nr. 1592, transport
van 13 december 1659.
[Dit artikel is eerder veschenen in 2005 in Sprokkels 3.]