vrijdag 27 februari 2026

De Bossche Nicolaes Eijmberts als Medicine doctor in Tilburg

Dokter bezoekt een welgestelde patient. 18de eeuw

Nicolaes Eijmberts is geboren in 's-Hertogenbosch, als zoon van Casper Eijmberts (geboren in Alem) en Anna Margrieta Drajers, geboren in Gelderland. Dit echtpaar ondertrouwt op 15 februari 1681 en trouwen op 2 maart daaropvolgend in Den Bosch. Voorzover bekend krijgen zij zes kinderen in de periode 1684 – 1694. Hun derde kind krijgt de doopnamen Embertus Nicolaus en dat is zeer waarschijnlijk dezelfde persoon als de man in de titel van dit artikel. Hij is gedoopt op 6 december 1689. Dat is mogelijk de reden dat hij vernoemd is naar de beroemdste jarige op die dag: Sint Nicolaas. Zijn tweede doopnaam, waarschijnlijk toegevoegd vanwege zijn geboortedag, is in dit geval zijn roepnaam geworden en hij staat in de bronnen nooit anders genoemd dan Nicolaes Eijmberts.

Over de familie waarin hij opgroeit is verder weinig bekend, ik heb er ook geen onderzoek naar gedaan. Helaas is er ook niets bekend over zijn opleiding. Het ligt voor de hand om aan te nemen dat hij zijn medische opleiding heeft genoten in het Belgische Leuven. Die universiteit had de katholieke signatuur en aangezien Nicolaes katholiek is zal hij daar zijn opleiding doorlopen hebben. Hoewel er gepubliceerde lijsten zijn van de afgestudeerden komt zijn naam, voorzover ik daar naar gezocht heb, op die lijst niet voor.

In in december 1711 solliciteert Nicolaes Eijmberts op de vacature die is ontstaan door het overlijden van Paulus Scholt, die tot zijn dood medicine doctor in Tilburg is geweest. Docter Scholt overlijdt op 31 augustus 1711. We mogen aannemen dat hij voor die datum zijn medische studie heeft afgerond. Eijmberts is er als de kippen bij om deze functie in te nemen. Op het moment dat hij het verzoekschrift schrijft, woont hij blijkbaar al in Tilburg. Hij wil graag in aanmerking komen voor het salaris van honderd gulden per jaar. Hij krijgt zijn aanstelling.

Dat brengt wel verplichtingen met zich mee natuurlijk. De drossaard en schepenen die hem per 1 januari 1712 aanstellen eisen van Nicolaes Eijmberts:
mits dat de suppliant gehouden blijft de arme menschen die vande armen alhier sijn leevende, des versocgt sijnde, getrouwelijck te visiteeren, ende aan selve de nodige mdicijnen uijt te reijcken. Ende voorts dien aangaande sig te quijten, ende te gedragen, als een goet ende opregt doctor inde medicijnen schuldig ende gehouden is te doen, want wij sulcx ten dienste van onse arme innegesetenen hoogh noodig geoordeelt hebben te behooren.

Hij krijgt die vergoeding voor het behandelen van de arme inwoners van Tilburg als ze iets mankeren. De arme Tilburgers kunnen geen dokter betalen maar hebben die natuurlijk wel eens nodig, evenals noodzakelijke medicijnen die ze gebruiken. De inwoners die het beter hebben kunnen zelf de dokter en zijn medicijnen betalen.

In dit blog heb ik twee gevallen beschreven waarbij de dokter nodig was. Dat was het geval van Adriaen Hoevenaars die een infectie in zijn been kreeg waardoor dat been deels moest worden afgezet (link). Het tweede geval betreft de malaria epidemie die in het dorp heerste rond 1728 (link).

Eenmaal een baan, was er een basis om een gezin te stichten. Zijn voorganger was van de protestantse religie maar Nicolaas was katholiek. In zijn kringen waren er voornamelijk protestentse meisjes voorhanden. We weten natuurlijk niet hoe principieel hij was, maar hij trouwde in 1713 met de protestantse Anna Margreta Otterinck. Zij was de dochter van de drossaard Dirck Otterinck. Een dochter met de naam Anna Margreta is niet terug te vinden in de doopboeken van de Nederlands Gereformeerde kerk.

Dirck Otterinck was in 1677 met de katholieke Angela Mutsaers getrouwd. Hun kinderen zijn in veel gevallen twee keer gedoopt, een keer voor de pastoor en een keer door de predikant. Je kunt niet zeker genoeg zijn. 
In 1702 staat er een Theodorus Otterinck uit Tilburg ingeschreven aan de Leuvense universiteit. Bij zijn inschrijving staat dat hij een geestelijke was, dus dat kan eigenlijk niet kloppen als het de schoonvader van Eijmberts betreft. Van de andere kant is zijn naam behoorlijk bijzonder; we kunnen niets uitsluiten. Mogelijk hebben Nicolaes Eijmberts en Dirck Otterinck elkaar op de universiteit leren kennen. Dat kan ook de reden zijn dat Eijmberts naar Tilburg kwam om als dokter aan de slag te gaan.

Het gezin Eijmberts krijgt zes kinderen die allemaal gedoopt zijn in de schuurkerk op 't Heike.

Nicolaas Eijmberts huurt op 24 januari 1714 een huis van Nicolaes van Dijck, koopman in Tilburg. Als dorpsdokter heeft hij een behoorlijk huis nodig. Het huis bevat in eenen ganck voor comptoir, opkamer en keucken, met de grote achterkamer, de kelder, de zolder en het turfschop en de helft van de tuin. Het gebouw ligt in het Nieuwland (de Nieuwlandstraat), dus in het centrum van het dorp, vlak bij kerk en markt. De huurperiode bedraagt vier jaar.
Handtekeningen van Nicolaas van Dijck en Nicolaes Eijmberts M:D: (Medicine Doctor)

Zijn schoonvader, inmiddels president-schepen van Tilburg, overlijdt in 1730 en uit zijn nalatenschap verkrijgt dokter Eijmberts onder meer een huis en half schop op Korvel met verschillende landerijen verspreid over Tilburg en Goirle. In dat huis gaat het gezin Eijmberts niet wonen. Waarschijnlijk verhuren ze het. De dokter gaat wonen in de Nieuwlandstraat, maar het is onduidelijk waar precies.

Dokter Eijmberts en zijn vrouw sterven kort na elkaar. Anna Margreta is begraven op 4 december 1737 en haar man op 22 maart 1738. Twee dagen later wordt er een inventaris opgemaakt van hun nalatenschap. Dat geeft ons een kijkje in de bezittingen van de dokter.

Zo staat er in de inventaris vermeldt: Een partij flesjes zo leedige als met medicijnen en Een partij drooge medicijne en kruijden

Als gestudeerd arts bezit hij ook een rijke bibliotheek die maar liefst 233 boecken soo folianten, quartalen, en octavie, zijnde Latijnde, Franse, en duijtse telt. Helaas is er geen lijst bewaard gebleven van die rijke bibliotheek.

Titelblad van een boek t.b.v. medicijnen studie
In de verdere inboedel bevindt zich nog o.a. een apoteek kas met sijn laatiens, Een boeke kas, Een tinne clisteerspuijt.Typisch voorwerpen die je bij een dokter in huis zou verwachten.

De dokter denkt uiteraard ook aan zijn eigen genoegens. Hij bezit een tabaksconfoor en een coffijkan en twee snuijters en een een coffij molentje. Een snuiter is een voorwerp om de verbrande lont van een kaars in te korten en een tabaksconfoor (nu komfoor) is een bakje waarin een kooltje zit om een pijp mee aan te steken. Je kon er ook een brandende pijp in leggen.

De erfgenamen van Nicolaes Eijmberts en Dirck Otterinck verkopen op 4 november 1750 aan Arnoldus van Asten, een huis, bakhuis, schuur, schop en tuin in de Nieuwlandstraat. Dat pand lag op de plaats waar nu de kringloopwinkel van Rijkers en fietsenwinkel Guill van de Ven liggen.

Dit pand komt uit de erfenis van president-schepen Dirck Otterinck.

Tot zover de wederwaardigheden van Nicolaes Eijmberts voorzover die te achterhalen zijn.

Een partij flesjes soo leedige als met medicijnen
Een partij drooge medicijne en kruijden
twee hondert en drie en dartig boecken soo folianten
quartalen, en octavie, sijnde Latijnse, franse en
duijtse



zaterdag 31 januari 2026

Malaria in Tilburg in 1727-1730

Dit verhaal begint met een enkele verklaring die Willem Clijssen en Gijsbert Jan Melis afleggen op 8 november 1727 ten behoeve van de soldaat Norbartus Willem Roeters. Deze Nobert Roeters is ongeveer vijf weken daarvoor naar het huis van zijn vader aan de Heikant in Tilburg gekomen omdat zijn vader al twee weken ziek was en er voor zijn leven gevreesd werd. Op het moment dat deze verklaring wordt opgeschreven kon Norbert nog niet terug naar zijn garnizoen. Dit lijkt een op zichzelf staand bericht te zijn. Maar niets is minder waar.

In de vergadering van het dorpsbestuur op 15 november 1728 komt een alarmerende verklaring van de medicine doctors van Tilburg ter sprake, die al op 30 augustus is opgesteld.
De verklaring is ondertekend door Eijmberts med: doct:, W. Mutsaars med: doct:.
18de eeuwse doctor (arts)
Zij verklaren dat in de afgelopen twee à drie maanden zo veel inwoners ziek zijn geworden, dat een kwart van hen niet kon worden bedient. Deze ziekte veroorzaakt een driemaal hogere sterfte dan normaal is. Als iemand in een gezin of familie besmet raakt, dan raakt nagenoeg iedereen in het gezin of familie besmet en maar wijnige van die vrij gaan. De patienten die niet aan de ziekte overlijden hebben een langen tijt nodig om te herstellen. De personen die vorig jaar ziek zijn geworden zijn tot nu toe nauwelijks hersteld. Deze herstellende zieken worden nu opnieuw door die ziekte geattaqueert. en de meeste van hen  overlijden aan de ziekte. De geneesheren verklaren dat er in vele van de geheugten (herdgangen) qualijck een gezont mens of is, zoals aan de Berkdijk, Laar, Postelstraat etc. De situatie is zo urgent dat de inwoners uit de ergst getroffen herdgangen mensen van elders moeten halen en vragen of zij hun doden naart kerkhoff brengen. De ziekte blijft maar aanhouden die steeds erger en quaataardiger wort.
Zij wijzen er ook op dat de jammer en ellende met geen penne is te beschrijven, die alhier bespeurt wert, door de groote armoede daar dese plaats door de continuale siekte van verleden jaar tot nu toe, in is gecomen.

Omdat de verklaring al anderhalve maand geleden is opgesteld geven de doctors nog een update. De epidemie is nauwelijks vermindert maar vraagt nog dagelijks slachtoffers. Volgens de artsen verergert de epidemie oock dat die menssen die toens siek waaren, tot nogh opheden niet herstelt sijn. Veel patienten houden er een febris tertiana, off quartana continua (derdedaagse koorts of vierdedaagse koorts) aan over en anderen waterzucht. Die waterzucht heerste in Tilburg in 1727 en veel inwoners zijn daar nog niet van hersteld. Bovendien maakt de nu heersende tertiana continua dat deze nog verzwakte inwoners sneller besmet raken van welke de meeste gestorven zijn en noch dagelijcx veele sterven
den dartigsten augustij seventienhondert achten
twintig ende waaren ondertekent, N: Eijmberts
med: doct: W. Mutsaars med: doct:
Nicolaas Eijmberts richt nog een verzoekschrift aan de Raad van State waarin hij vraagt om een tegemoetkoming in de extra kosten die hij heeft gemaakt tijdens deze uitbraak van malaria. De dorpskas kan dat financieel blijkbaar niet bolwerken.

Er zijn meer verklaringen van zieke soldaten. Francis de Bont laat dokter Eijmberts verklaren dat hij op 28 augustus 1728 alhier seer gevaerlijck sieck is geworden aen een febris tertiana. Daar heeft hij nu een febris quartana continua aan over gehouden. Aan die ziekte lijden nog veel meer mensen in Tilburg. Er zijn gevallen bekend dat 'sommige die sig te vroeg op de reijs begeven hadden, onderweegen sijn gestorven'. Zij die het hebben doorstaan 'sijn tot noch toe niet herstelt', waardoor 'noch verschijde andere soldaten hier sijn die dese winter onmogelijk niet in haere guarnisoene sullen connen comen vermits de swacheijt, en gans geen coude connende verdragen'. Deze ziekte maakt veel slachtoffers die langdurige klachten houden. Hun genezing laat lang op zich wachten.

Medicine doctor Walterus Mutsaers verklaart op 2 maart 1729 dat Adriaen van Bosch vanaf St. Jan ziek is geweest en nog steeds last heeft van eene quotidiana continua.' En nog op 23 maart 1730 geeft Nicolaes Eijmberts een verklaring af dat hij een bewoner van huize Moerenburg heeft bezocht, namelijk Johan Lowies de Sint Amand, die vaandrig is in het regiment van Kolonel De Vilattes in garnizoen in Ieper. Hij heeft een ernstige ziekt opgelopen in dat garnizoen en het is voor hem onmogelijk om naar buiten te gaan, te reizen of naar zijn garnizoen te gaan.

Deze verklaringen laten zien dat de ziekte in ieder geval van 1727 tot in maart 1730 in Tilburg heeft huis gehouden. De symptomen die de artsen beschrijven en de benaming daarvan lijkt op de ziekte Malaria.

Malaria werd in vroeger tijden ook wel moeraskoorts genoemd of polderkoorts. Malaria kwam regelmatig voor in Europa met name in de warmere delen waar moerassen lagen. In het stilstaande water kunnen insecten zoals muggen makkelijk eitjes leggen. De muggen brengen de ziekte over op mensen door hen te steken.

In de medische wereld staat deze ziekte bekend als een dobbelde quaataardige rotte, en besmettelijcke tertiana.  In de documenten staat de ziekte vaak omschreven als febris tertiana, off quartana continua (derdedaagse koorts of vierdedaagse koorts). Dat zijn terugkerende koortsaanvallen, iedere drie of iedere vier dagen. Die herhaalde koortsaanvallen putten het lichaam langzaam uit.

Ook in andere plaatsen in de Nederlanden heerst een ziekte die erg lijkt op malaria. 
In deel 5 van Buisman, p.542-543 en 544, schrijft hij dat in 1727 in Hoorn sprake was van een erg warme zomer met dagelijks onweersbuien, Veel mensen zijn ziek, ze lijden aan derde- en vierdeaagse koorts, soms zijn er wel 10 of zelfs 14 sterfgevallen per etmaal. De sterfte houdt aan tot in april 1728. In Amsterdam zijn in 1727 13.775 personen overleden, 4520 meer dan in 1726. De week met de meeste overledenen was tussen 26 oktober en 1 november 1727. Parallel met Tilburg.
(Buisman deel 5 pagina 551)

Om te kijken of er daadwerkelijk een uitzonderlijk hoge sterfte was in 1727 en 1728 pakken we de sterftecijfers in de jaren daar omheen er bij.

In 1725 zijn er 282 en in 1726 240 begravenen. Dat stijgt in 1727 naar 375 personen (volwassenen en kinderen) die zijn begraven op het Tilburgse kerkhof. Dat is al een behoorlijk toename ten opzichte van de voorafgaande jaren van rond de 50%. 
In 1728 zijn er 523 Tilburgers begraven dat zijn er 148 meer dan in 1727, een toename van 40%. In 1729 waren er 418 begravingen op het kerkhof , zo'n 4 % meer dan in 1727. In de jaren daarna blijft het getal overledenen redelijk hoog. 1730 bedroeg het 331, in 1731 364 en in 1732 407. Dat komt waarschijnlijk omdat de ziekte blijft 'hangen' en de patienten er maar moeilijk van genezen.


        1725: 147/135 = 282
        1726: 121/119 = 240
        1731: 226/138 = 364
        1732: 228/179 = 407

Bronnen:
Archief 15, Doop-, trouw en begraafboeken Tilburg & Goirle, 1600-1810.
J. Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 5 1675-1750 (Franeker, 2006)

woensdag 31 december 2025

De pastorie in de Kreitenmolenstraat in Udenhout


De oude pastorie achteraan in de Slimstraat
Toen Udenhout in 1722 eindelijk een zelfstandige parochie werd was er geen directe noodzaak om een pastorie te gaan bouwen. De eerste pastoor Elias Robben was van eigen bodem en kon door zijn goede plaatselijke contacten een waardig onderkomen vinden in een gebouw op het terrein van het huidige kasteel de Strijdhoef. 
Als hij in 1765 het pastoorschap eraan geeft volgt één van zijn kapelaans hem op. Het is de geboren Bosschenaar Jacobus Watrin (ook Watering) die al langere tijd kapelaan was in de parochie.
Hij kwam blijkbaar uit een welgestelde familie want zijn moeder kocht vanaf 1756 enkele hoeven in Udenhout. Als eerste in 1756 in de Knijperij, in 1761 een hoeve bij de Kuil en in 1763 een hoeve van de Heilige Geest van ’s-Hertogenbosch op het Hooghout. Ook kocht zijn moeder een hoeve achter aan de Slimstraat, waar de pastoor ging wonen en die daardoor later de naam “de oude pastorie” heeft gekregen. 

Na het overlijden van pastoor Watrin in oktober 1786 kwam op 14 december Lambertus van den Boome als pastoor in Udenhout terecht. Hij had kennelijk een minder kapitaalkrachtige achtergrond en zag zich genoodzaakt een huis te gaan zoeken om zijn pastorie in te vestigen. Hij kon zich weliswaar aanvankelijk vestigen in de “oude pastorie” maar zocht een permanente oplossing. Nu kwam het op de vrijgevigheid van zijn parochianen aan op welke termijn hij een eigen pastorie kon gaan bouwen. Hij ging voortvarend aan de slag waardoor het kerkbestuur van de Roomse gemeente van Udenhout, vertegenwoordigd door Miggiel Pijnenburg en Jan van Strijdhoven, al op 3 februari 1787 een perceel akkerland van 3 lopen kocht, van Francis Joost Maas. Het kostte de parochiekas 815 gulden en 15 stuivers. De verkoop vond plaats onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de verkrijger verplicht was op dit perceel te bouwen een huijsing welke zal moeten dienen tot wooning voor den Roomsch Pastor inder tijd in Udenhout zijnde.

De pastorie die pastoor van den Boome liet bouwen aan
de Kreitenmolenstraat op de plaats waar later St. Felix zou staan 
De kas van de roomse gemeente was blijkbaar nagenoeg leeg. De regent en kerkmeester lieten namelijk meteen bij het transport van de grond een schuldbekentenis opmaken door de Oisterwijkse schepenbank. De schuld bedroeg 800 gulden waar een jaarlijkse rente van 3 procent over moest worden betaald aan schuldeiser Francis Maas. Volgens een notitie van pastoor Van Eijl in het memoriaal was de schuld in 1795 afgelost.
De eerste steenlegging volgde ook heel snel. De steen is bewaard en daarop staat de datum 28 april. Aangezien de pastorie in 1789 in gebruik is genomen moet de bouw in 1788 meteen ter hand zijn genomen.

In 1803 kocht de Roomse gemeente van Cornelis Arnoldus den Ouden een reepje grond, 1 1/2 voet à 2 voeten, te Udenhout omtrent de Kruisstraat, langs de westen hof hegge van de pastorie precies van het buitenste de palen na het westen van de twee poortjes aldaar gezet en waar ook de keien liggen, gaande aldus van het zuidwesten in een rechte lijn door naar het noordoosten tot aan de gemene straat, voor de som van 19 gulden. De verkoper reserveerde het noodzakelijk gebruik van het noordoostelijk poortje en het weggetje tussen de genoemde hofheg en de gevel van het huis, alsmede de schuur achter voorschreven huis, hetzij om aldaar zo ver die gevel ligt te bouwen of om noodzakelijke reparaties aan dak of muur te doen, zonder daarbij de heg te beschadigen.

Deze pastorie bleef dienst doen tot aan de bouw van de huidige pastorie naast de nieuw gebouwde waterstaatskerk. De eerste steen voor deze pastorie werd gelegd op 31 mei 1860. Een jaar later kon de pastoor van Udenhout zijn nieuwe woning in gebruik nemen.
De oude pastorie werd in 1929 afgebroken voor uitbreiding van Sint Felix.

De oude pastorie aan de Kreitenmolenstraat kreeg een andere bestemming. Het was pastoor Petrus Verschuure die meteen na de bouw van de nieuwe kerk geld en grond regelde om tot de oprichting van een Zusterhuis te komen, waar onderwijs der vrouwelijke jeugd en verpleging van kranken en ouden van dagen kon plaatsvinden.
Tijdens het pastoraat van Felix Cuijpers zag het Liefdegesticht het levenslicht en de zusters van het moederhuis te Tilburg namen op 22 oktober 1862 bezit van de oude pastorie. Het gebouw kreeg in de loop der tijd diverse uitbreidingen en het kreeg de naam van de oprichter: Felixgesticht. In dat pand hebben generaties Udenhoutse meisjes onderwijs gekregen en konden zieken en bejaarden de nodige zorg ontvangen.
De veranderende tijden maakte dat de onderwijsvoorzieningen langzaamaan uit het gebouw verdwenen en elders in het dorp een nieuwe plaats vonden zoals kleuterschool “Het Fonteintje” aan de Koestraat en de basisschool die nieuwe huisvesting kreeg in de uitbreidingswijk Achthoeven. Uiteindelijk bleef er aan de Kreitenmolenstraat alleen nog een bejaardenoord over voor kloosterzusters van de Zusters van Liefde. Toen ook dat in 1991 uit Udenhout verdween bleef het gebouw nog tot in 1995 behouden als asielzoekerscentrum. In dat jaar is het afgebroken en kwamen er op die plaats onder andere seniorenwoningen. Daardoor bleef de gedachte van de pastoors Verschuure en Cuijpers toch nog levend. Ook hield men bij de naamgeving rekening met de historie van deze plaats: Felixhof. 

[Dit artikel is eerder gepubliceerd in Sprokkels 1, Jaarboek van Heemcentrum 't Schoor Udenhout-Biezenmortel, pp 38-40.]

donderdag 18 december 2025

Een nieuw hoogaltaar in de kerk van Tilburg

De Tilburgse grote kerk aan de markt krijgt in 1612 een nieuwe hoogaltaar.

De kerk is in 1595 in brand gestoken en het dorp Tilburg is sinds die tijd bezig met het

herstellen van de schade.

1612 valt in de periode van het 12-jarig bestand (1609-1621), een periode van wapenstilstand tussen Spanje en de Republiek, waardoor er ruimte ontstond voor economische groei en langdurige reparatieprojecten aan het verwoeste kerkgebouw.


Een van de belangrijke onderdelen van het nieuwe interieur van de kerk is het hoogaltaar. De kerkmeesters halen dat altaar uit de provinciehoofdstad. In de rekeningen van het dorp zijn meerdere vermeldingen over het Hoogaltaar te vinden. Waarschijnlijk moeten we dat altaar identificeren met het Hoofdaltaar dat in de literatuur vaker voorkomt. In een vorige blogpost schreef ik al dat het plaatsen van het nieuwe hoogaltaar een heleboel werk vereiste. Daar kwam een tafereel (schilderij) in dat met het houtwerk uit Den Bosch kwam. Henrick Rutthen, van beroep schrijnwerker, heeft het houtwerk van het hoogaltaar gemaakt. Hij krijgt daarvoor betaald door de borgemeester Adriaen Keijser het bedrag van 214 carolus gulden. Hij schrijft de 'bon' eigenhadig en verraadt daarmee dat hij er zijn eigen spelling op na houdt: in kennise der vaerhat (waarheid) so heb ick dijt met mijn aaengehn (eigen) hant onder tekent ende bedanck mij de goede betaelijn (betaling).

De schilder Jan van Oirdt (of Jan van Noort) verzorgt het schilderwerk. De voorstelling die op het hoogaltaar is aangebracht staat in bron: historie van Sint Denijs, patroen deser kercke, ende den Edelen Ridder ende Martelaer Sint Jooris. Dat kost 400 gulden.


De schilder mr Jan van Noort (of Oirdt) woont op dat moment in 's-Hertogenbosch. Hij is de kleinzoon van bouwmeester Jan van Noort uit Utrecht. Zijn grootmoeder is de dochter van de bouwmeester van de Sint Jan in 's-Hertogenbosch. Hij woont in ieder geval sinds 1573 in het huis Den Gulden Arent, huidig adres Kerkstraat 18 in Den Bosch, naast de Grote Kerk.


Meerdere voermannen zijn ingeschakeld om het hoogaltaar, waarschijnlijk in delen, naar Tilburg te krijgen: Handrick Anthonis Cauwenberghs, Herman Mijssen en Wouter Cornelis de Ruijter. Zij rijden in 1611 naar Den Bosch om de materialen voor het hoogaltaar op te halen, evenals de timmerlieden en de schilder met hun materiaal. Die rit kostte het dorpsbestuur 35 stuivers voor iedere voerman die daarbij is geweest. Die ambachtslieden moeten natuurlijk ook weer terug naar Den Bosch. Dat kost 2,5 gulden.


De verblijfskosten voor deze lieden zijn vanzelfsprekend voor rekening van het dorp. In de week na Pasen in 1611, (dat viel toen op 24 maart), komt den maelder ofte schilder vanden Bossche die den outaer afgeset heeft. Hij neemt zijn zoon mee en zij hebben overnacht, gebruiken de maaltijd, drinken bier en gebruiken vuur om zich warm te houden. De volgende dag hebben ze samen met Hendrick Rutten, die het hoogaltaar in elkaar zet, en met borgemeester Adriaen Keijser, nog een maaltijd gebruikt en bier gedronken.


Het huidige hoogaltaar in de Heikese kerk.
Het is  in 1699-1700 vervaardigd.
Helaas is er geen afbeelding van het hoogaltaar uit 1612 bewaard. Het hoogaltaar dat nu in de kerk staat is in 1821, bij de bouw van de Waterstaatskerk, aangeschaft. Het is afkomstig uit de St. Jacobskerk in Antwerpen.

Het hoogaltaar staat aan de oostzijde in de kerk en bevat het tabernakel waar de hosties in bewaard blijven. Het altaar is gewijd aan de patroonheilige van de kerk en dat was bij dit altaar ook het geval zoals we hierboven al zagen.


Het hoogaltaar in de Tilburgse kerk krijgt meerdere ornamenten die Anthonis de maelder aanbrengt in 1611. Hij is eveneens afkomstig uit 's-Hertogenbosch. Op 12 december van dat jaar krijgt hij betaald voor het stofferen, pluijmeren ende vergulden des hoogen autaere alsnu binnen derser kercke bestelt sijnde. Dat kost het dorp 70 carolus gulden.


Jan van Noort krijgt een schuldbekentenis van Adriaen Cornelis Keijser, de borgemeester van dienst. De schuld bedraagt 410 carolus gulden die hem als reste competerende voor tschilderen vanden hooghen autaer bij hem binnen Tilborch danckelijck gelevert. Adriaen Keijsers belooft het bedrag op Sinte Martens dach in november ierstcomende te betalen. Die schuldbekentenis is opgemaakt en ondertekend op 24 maart 1612. Dat was precies een jaar na het afleveren van de materialen.

Die termijn haalt de borgemeester niet. Jan van Noort moet zo lang op zijn geld wachten dat hij rente krijgt over de schuld die de borgemeester aan hem heeft. Zijn rekening is pas betaald op 1 juni 1613. Over het verschuldigde bedrag van 410 gulden krijgt hij een rente van 15 gulden.


De carolusgulden bestaat in deze tijd niet meer als fysieke munt maar is nog steeds in gebruik als rekeneenheid. [https://nl.wikipedia.org/wiki/Carolusgulden]


Afbeelding van een gouden Carolusgulden uit 1552.

Lees ook:
Bronnen:

zondag 30 november 2025

WEDDING: trouwen is een gok!

Boeren spelen kaart in de herberg.
schilderij van David Teniers de jongere
Inleiding
Wedden is al zo oud als de mensheid. Er is altijd wel een reden of aanleiding te bedenken om een weddenschap af te sluiten. In onze tijd is er zelfs een televisieprogramma geweest dat aan het wedden was gewijd! Onze verre voorouders hadden geen televisie tot hun beschikking, maar zij hadden genoeg creativiteit om op z'n tijd een gokje te wagen en speculeerden er lustig op los. Bovendien hadden ze de goede gewoonte om in sommige gevallen hun weddenschappen voor notaris of schepenbank vast te leggen. Natuurlijk kwam het ook voor dat de wedders hun belofte niet nakomen en dat leidde onherroepelijk tot zaken voor de plaatselijke schepenbank. Dat zijn dan ook meteen twee bronnen waardoor wij weten om wat voor weddenschappen het ging.

Een voorbeeld: in 1665 sluiten Arnoldus Cloostermans, drossaard van Tilburg, en Johan Verassen, rentmeester van de heer van Tilburg en Goirle, een weddenschap af die betrekking heeft op de uitkomst van de militaire ontwikkelingen rond de stad Groningen (het is de tijd van de Tweede Engelse oorlog). Cloostermans beweert dat Groningen niet is ingenomen door de bisschop van Munster en evenmin de kans loopt beschoten te worden door diens kanonnen. Hij zal 40 carolusgulden betalen aan de rentmeester indien zijn bewering onwaar blijkt te zijn.(1)

Het blijkt dat er een etymologische overeenkomst is tussen het Nederlandse werkwoord 'wedden' en het Engelse 'wed' in de betekenis van trouwen. De gemeenschappelijke vorm is het Proto-Germaanse *wadajn/*wadi, Dat betekent: een belofte doen, zich verbinden, iets als onderpand geven. In het Oudengels kreeg het werkwoord 'weddian' de specifieke betekenis zich verbinden door een belofte, dat wat we nu 'in het huwelijk treden' noemen.
In het Nederlands is de betekenis geëvolueerd naar: een belofte doen waarop iets staat, gokken, wedden.
Dat kennen we nu in het Engels als: to wed; je binden vie een belofte (huwelijk). In het Nederlands is dat 'wedden' geworden: een belofte doen met inzet (gok).

Eigenlijk heel bijzonder dat er in het Nederlands in ieder geval weddenschappen zijn aangegaan met een huwelijk als inzet. De ultieme samenvoeging van beide betekenissen die hiervoor beschreven zijn. (1)

Weddenschappen over huwelijkssluitingen
Er zijn legio weddenschappen met een genealogisch tintje. Welke genealoog wil niet te weten komen waarom zijn voorouders er toe zijn gekomen om elkaar de eeuwige trouw te beloven. Precies daarover zal de rest van dit artikel gaan: weddenschappen met een huwelijk als inzet.
Wat ik op dit moment als oudste voorbeeld ken van een dergelijke weddenschap, dateert uit 1482. Op 19 november van dat jaar belooft Wolterus, zoon van wijlen Henricus van Tillaer, ten overstaan van schepenen van Den Bosch 3 rijnsgulden te betalen aan Johannes, zoon van wijlen Egidius Huesdens, op Allerheiligen in het volgende jaar, als dezelfde Johannes tenminste voor die tijd getrouwd is.(2) Het is mij in dit geval niet bekend wie de weddenschap heeft gewonnen.

Soms willen mensen het niet meer weten dat ze een weddenschap hadden lopen. Dat loopt dan steevast uit op een proces. In 1616 zien we zo'n proces tussen Jan Jan Scheuren en Peter Pauwels de Wever in Tilburg. Volgens de getuigenis van Anna, huisvrouw van Cornelis Jan Willemssoon van Gorp, was er enkele jaren voordien in haar huis een bedrag van 30 stuivers ingelegd door dezelfde Jan Jan Scheuren. De inzet van de weddenschap was eenvoudig: van de voornoemde Peter Pauwels de Wever en Adriaen Janssoon van Raemsdonck, beiden nog vrijgezel, zou degene die als eerste trouwde aan Jan Scheuren het dubbele bedrag betalen: 3 gulden. Het trouwboek van de pastoor verklapt ons dat Peter Pauwels Antonis de Weefver op 13 oktober 1613 trouwde met Maria Cornelis Jan Dircks. Hij was de eerste en moest dus het verschuldigde bedrag betalen en de schuldeiser sleepte hem voor de schepenbank van Tilburg.(3)

Deze weddenschappen staan niet op zichzelf. De redenen om dergelijke weddenschappen af te sluiten blijven onduidelijk. Misschien was het een manier om extra spanning te kweken, misschien sloot het aan bij een oude traditie. Het is evenmin duidelijk of dit soort weddenschappen alleen in bepaalde kringen in zwang waren.

Het gaat in al deze weddenschappen uitsluitend om mannen die met elkaar wedden, met een al dan niet bekende vrouw als lijdend voorwerp. In de periode 1655-1667 komt er in Tilburg een opvallend aantal van deze weddenschappen voor. Laten we eens kijken wat er precies aan de hand was.

Tilburgse voorbeelden
Het begint in 1655 met een weddenschap tussen acht personen. Het betreft aan de ene kant Goossen Jans de Cordt en aan de andere kant Gerit Loeff Hendricks van de Graeff, Huijbert Willems van Heijst, Adriaen Peters Nademaels, Hendrick Jan Schaepsmeerders, Aerdt Peters Backers, Robbrecht Willems Peijnenborch en Huijbert Jan Soettricx. Op 26 januari 1655 laten zij een akte opstellen (voor schepenen van Tilburg?), die het volgende behelst.

Goossen Jans de Cordt heeft een ton bier getapt aan genoemde personen ter waarde van zeven carolus gulden. De overige zeven comparanten beloven aan Goossen 14 carolusgulden te betalen binnen acht dagen nadat iemand van hen is ondertrouwd of is komen te overlijden. In het geval dat iemand van hen overlijdt, moeten de vrienden van de overledene de schuld afbetalen.(4) Van enkele van de personen die in deze weddenschap genoemd worden heb ik wat meer kunnen achterhalen, maar helaas niet voldoende om te weten hoe het is afgelopen:

    • Goossen de Cordt. lijstenverver (5), is gedoopt in Tlburg op 2 februari 1628 als zoon van Jan Aert Joost Brenders, die als alias ook de naam De Cort voert, en Cornelia Jan Gijsbert Dircks. Op 23 januari 1656 trouwt hij met Jenneken van Spaendonck. Zij is gedoopt in Tilburg op 18 februari 1610 als dochter van Huijbert Peter Hendrick van Spaendonck en Maria Jan Peter Tieleman. Uit dit huweljk zijn vier kinderen geboren, waarna Jenneken begraven werd in Tlburg op 14 november 1675. Goossen de Cort hertrouwt op 5 november 1676 met Mechel Gerits van Gorp (6), dochter van Geridt Cornelis Nelen (van Gorp), olieslager aan de Hoeven, en van Gijsbertken Huijbert Peters van Beurden. Ook dit huwelijk levert vier kinderen op. Goossen Jan de Cordt is in Tilburg begraven op 11 maart 1701, zijn tweede vrouw op 27 februari 1721.


    • Gerit Loeff Hendricks van de Graeff is gedoopt in Loon op Zand op 22 oktober 1637 als zoon van Loef Hendrickx van de Graef en Maria Jan Goossens, die daar op 27 februari 1632 waren getrouwd. Hij was 18 jaar ten tijde van de weddenschap. Verder is er niets over zijn levenswandel bekend.

    • Adriaen Peters Nademaels was een ongelukkig geval. Hij verloofde zich in 1678 met Cathalijn Wouters van Ammelroij te Tilburg, die het echter uitmaakte, zich verloofde met Jan de Weir en met deze in ondertrouw ging. Aanvankelijk vond Naedemaels het wel goed, maar toch besloot hij de huwelijksproclamaties op te houden. Bruidegom De Weir sloeg hem toen finaal in elkaar. Daarna legden beide vrijers het weer enigszins bij en de versmade Naedemaels ging bij Cathalijn op visite. Zij zag hem aankomen en zette een stoel klaar, waarop zij hem eenen vetten boterham is gaen smeren van wittebroot. Die accepteerde hij pas na enige aandrang, maar toen had hij zo de smaak te pakken, dat hij er nog een vroeg. Terwijl hij zijn tanden daar in zette, werd het hem erg qualijck, zodat hij met de boterham in de hand naar huis ging, waar hij flink moet overgeven. Zijn zus nam zijn boterham, daer van bijtende om 't crijtende kindt daer mede te stillen. Zowel het kind, Bartel Beckers, als oom Adriaen Naedemaels stierven. Bartels borst en buik waren opgeblazen, hij had de lippen een beetje van elkaar en op zijn tong zat een witte 'schors'. Toen hij was opengesneden, vonden de chirurgijns het gedarmte als met windt opgeblasen en van een onnatuurlijke kleur, neigend naar paarsbruin, terwijl de maag aan een kant half leek te zijn verrot. Bovendien was de maag op drie plaatsen geërodeert ende ten deelen doorknaeght. Cathalijn van Ammelroij was gevlucht.(7)

    • Hendrick Jan Schaepsmeerders is in Tilburg op 19 januari 1642 gedoopt als zoon van Jan Willem Gerit Schaepsmeerders en Marie Hendrick Simon Hollen. Hij trouwt op 8 december 1670 voor de predikant van Tilburg met Ida Aert Braspennings. Hendrick Schaepsmeerders is op l februari 1674 begraven in Tilburg.

Den 21 november sij in ondertour opgenomen Hendrick / Jan Willems Schaepsmeerders j.m. out 28 jaar sijnen / vader Jan Willem was resent woonen in nieulant met Iefken Aert / Braspenningh j.d. out 24 jaren woonende te oel ge/assisteer met haren Oom Jacob Hertoghs beijde geboor/tich van Tilborgh ende hebben hare houwelijckse procla/matien onverhindert gehar ende sijn daer op getrout den 8 / december 1670

    • Aerdt Peters Backers is gedoopt in Tilburg op 8 november 1641 als zoon van Peter Jacob Beckers en Deliana Herman Aerts de Roij. Hij was dus 14 jaar ten tijde van de weddenschap. Hij trouwt voor de predikant van Tilburg op 13 oktober 1675 met Jenneken Schalcken. In 1694 hertrouwt hij, nu met Anna Jan Cornelis Simons, gedoopt in Tilburg op 9 september 1634 als dochter van Jan Jan Cornelis Sijmons, wever, en van Barbara Willem Adriaen Willem Goijaerts. Zij was al eerder getrouwd op 8 mei 1661 met de lakenwever Jan Matheuss Jans van Gorp.

    • Robbrecht Willem Peijnenborch is gedoopt in Tilburg op 20 oktober 1646 als zoon van Willem Goossen Gerit Peijnenborch en Catharina Robbrecht Jan Leijnen. Hij is 8 jaar en 3 maanden als hij deze weddenschap afsluit... en hij ondertekent de akte zelf. Hij trouwt op 13 juli 1681 in Tilburg met Engel Jacob Hofmans, gedoopt in Tilburg op 23 januari 1645 als dochter van Jacob Jan Willems en Judith. Hij is in Tilburg overleden en begraven op 29 september 1694.

Den 14 junio 1681 zijn in ondertrou opgenomen / Robbert Pijnenburgh j.m. oudt 33 jaer met / Engel Jacob Hofmans j.d. oudt 35 jaer / beijde geboortigh van Tilb: en woonende / int nieul:, hebbe hare houwelijckse proc/lamatie onverhindert gehadt, ende zijn daer / op getrout den 13 julij 1681

• Huijbert Jan Soettricx heb ik niet kunnen identificeren.

Uit de identificatie blijkt dat we te maken hebben met jonge jongens, adolescenten zouden we die nu noemen. In eerste instantie lijkt het op een spelletje bravoure van een groep jongeren die in de herberg iets te diep in de bierkruik hebben gekeken. Maar het feit dat ze de moeite nemen om deze weddenschap vast te leggen, wijst op een serieuze aangelegenheid. Het is de betrokkenen menens, wat hun motieven ook mogen zijn geweest. Waarom Goossen Jans de Cort het bier onder deze voorwaarden verstrekte, is evenmin bekend. Hij was, zoals het zich nu laat aanzien, de oudste van het stel en was misschien al op vrijersvoeten. Hij trouwt bijna op de dag af een jaar later met zijn eerste vrouw. Was de nieuwe verkering de aanleiding om het met vrienden te gaan vieren?

De volgende weddenschap die opvalt, vindt bijna twee jaar later plaats. Op 28 december 1656 verschijnen Johan Willemen, woonachtig te Goirle, en Adriaen Jacob Peeters van Gilse, die de volgende weddenschap afsluiten. Johan Willemen belooft aan Adriaen Jacob Peter van Gilse te leveren drie el zwart laken van vijf gulden per el. Daarvoor zou Van Gilse niet hoeven te betalen wanneer hij in mei 1657 zou zijn getrouwd. Sterker nog, wanneer hij dan niet getrouwd zou zijn, moet hij voor elke el tien gulden betalen aan Johan Willemen. Het lukt Adriaen van Gilse om op tijd een bruid te vinden. Hij ondertrouwt op 6 mei 1657 in Hilvarenbeek met Catalijn Jacob Jan Schilders. Ze trouwen op 25 mei daaropvolgend.(8)

Blijkbaar was de hiervoor beschreven weddenschap het startsein voor een aantal lieden om het ook over die boeg te gooien. Vier dagen na het huwelijk van Adriaen van Gilse en Catalijn Schilders, dus op 29 mei 1657, sluiten Ego Gijsbert de With en Jan Willem Toten een soortgelijke weddenschap. Om onduidelijke redenen zien beiden hier een dag later weer van af. De getuigen bij deze weddenschap waren Peeter Hendricks en Peeter Somers.(9)

Deze laatste heeft klaarblijkelijk de smaak te pakken gekregen, want hij sluit op 20 juli 1658 een weddenschap met Mercelis Gerits, die als gemachtigde optreed voor Jan de Bont, koopman van wollen laken. Peeter Cornelis Somers zegt voor de komende Tiburgse kermis getrouwd te zullen zijn. Wanneer dat zo is, krijgt hij van Jan de Bont drieëneenhalf el cleur laken voor niets. Mocht het hem niet lukken een bruid te vinden, dan moet hij 11 gulden per el betalen, in dit geval een totaalbedrag van 38 gulden 10 stuiver. De vader van Peter, Cornelis Somers, treedt als borg op. Daarmee stemt hij duidelijk in met de handelswijze van zijn zoon. Jan Alewijns en Hendrick Stakenborch zijn de getuigen bij deze weddenschap.(10) Het lukt Peter Cornelis Somers de weddenschap winnend af te sluiten. Hij ondertrouwt op 25 juli 1658 en trouwt op 21 augustus daaropvolgend met Jenneken Jan van Lissem. De bruid heeft geen vader meer en degene die haar assisteert is dezelfde Hendrick Stakenborch die getuige was bij de weddenschap.

Hem treft ook het wedvirus dat blijkbaar heerst. Op zondag 25 augustus 1658 wedt hij met dezelfde Ego de With die het ruim een jaar eerder ook al probeerde, en wel om vier el zwart laken ter waarde van 36 gulden, dat hij voor maandag 2 september getrouwd, dan wel ondertrouwd zou zijn. Hendrick Stakenborch ondertrouwt op 29 augustus met leffken Cornelis Somers. Alweer een weddenschap gewonnen.(11) Zou hier sprake kunnen zijn van doorgestoken kaart? Eva en Peter zijn broer en zus.

Jan Steen - het huwelijk

Enkele jaren later vinden we bij dezelfde notaris nog een weddenschap die het huwelijk als inzet had. Op 20 november 1661 zetten Gerard Swagemakers en Johan Peter van en Eijnde beiden 90 gulden in en geven zij dat in bewaring aan Marcelis Gerit van Valckenborch. Deze persoon was ook al partij in de weddenschap van 20 juli 1658. Wanneer Jan van den Eijnde niet binnen vier maanden is ondertrouw of getrouwd, gaat het geld naar Gerard Swagemakers. Lukt het hem wel om binnen die termijn een bruid te vinden, dan krijgt hij de 180 gulden. Jan vanden Eijnde slaagt er niet in en zal zijn wedschuld hebben moeten voldoen.(12)

Enkele maanden later, op 15 maart 1662, verschijnen Jan Aert Crillaerts en Peter Gerit Schaepsmeerders voor schepenen van Tilburg. Zij gaan een weddenschap aan, waarbij de inzet drie el cleur laken is. Peter Gerit Schaepsmeerders moet voor Sint-Jansdag in ondertrouw zijn om dit laken gratis in bezit te houden. Lukt het hem niet, dan moet hij aan Jan Crillaerts 22 gulden betalen. Het is niet bekend of Peter Schaepsmeerders daar in geslaagd is.(13)

De eerdergenoemde Jan Peter van den Eijnde ging zes jaar na zijn eerste poging opnieuw een weddenschap aan, waarschijnlijk onder het motto: de aanhouder wint! Vlak voor de Tilburgse kermis, op 21 augustus 1667, wedt hij met Peter van de Ven om drie el zwart fijn laken, bestemd voor een pack cleeren, dat hij binnen een halfjaar na de kermis sijnde den XVIIIen (18) februarij des toecomenden jaers MDLXVIII (1668) ondertrouwd zal zijn. Is dat niet het geval dan moet hij aan Peter van de Ven 33 gulden betalen.(14) Ook ditmaal slaagt hij er niet in binnen de gestelde termijn een bruid te vinden. Pas drie jaar later vindt hij zijn levensgezellin Helena Jan Jacobs van de Kerkhof. Zij trouwen in Tilburg op l juli 1670.

Protestactie?
Op 30 januari 1656 kwam de kerkeraad van de Nederduits Gereformeerde gemeente in Tilburg bij elkaar om te vergaderen. Deze kersverse groep nieuwkomers in de katholieke heerlijkheid Tilburg en Goirle ergerde zich aan het gebruik dat bij het aangeven van de ondertrouw een groep vrijgezellen de nieuwe echtelieden vergezelden. Deze begeleiders verkeerden regelmatig in beschonken toestand en dit deed afbreuk aan het 'heilige huwelijk'. Bovendien komen ze op onchristelijke tijden aan de deur om de ondertrouw aan te geven. Het geval dat ze in hun vergadering bespreken, heeft plaatsgevonden in Goirle. De vergadering besluit om een publicatie uit te vaardigen, waarin dit gebruik zou worden veroordeeld. Daarnaast mag er alleen nog op vrijdagen van 3 tot 4 uur een ouderling in de kerk aanwezig zijn om ondertrouw in te schrijven.(15)



Deze actie van de kerkeraad krijgt spoedig een officieel vervolg, doordat het nieuwe echtreglement voorde generaliteitslanden op 18 maart van kracht wordt. Daarin regelt de overheid in goed Hollandse traditie alles ten aanzien van het wettelijk huwelijk. Het is voortaan verboden om bij nacht en ontij de ondertrouw te komen aantekenen. Voortaan mogen huwelijkskandidaten alleen nog maar op zaterdag in ondertrouw gaan en dan wel na zonsopgang en voor zonsondergang (artikel VII). Alleen in heel bijzondere omstadigheden, waarover de predikant uitspraak mag doen, kan men van deze regel afwijken. Op overtreding van deze regel komt een fikse straf van 50 gulden te staan voor degenen die de huwelijkskandidaten toch inschrijft buiten deze dag en tijd zonder geldige reden. Bovendien is de inschrijving dan ongeldig (artikel VIII).

In het negende artikel komt het uiteindelijke verbod op de eerder beschreven festiviteiten: dat alles sonder lichtveerdigheyt, sonder dronckenschap, nuchteren, eerbiedeüjck, ende in des Meeren vreese toe gae, ende beletten, dat voor, ende geduyrende de imchrijvinge, geen stercken dranck geschoncken, ende gedroncken werde, op pene van die contrarie doet, te verbeuren XXV guldens. In het daaropvolgende artikel staat nog specifieker genoemd, dat Niemant sal hem vervorderen inde steden ofte ten Platten Lande, de Bruydegoms ende Bruyts in het in schrijven ofte trouwen, in het gaen van den Gerechte ofte Kercke, ofte in het weder keeren nae Huys, nae te roepen, te schutten ofte. schatten, 't zy in het gesellen der selve van ofte naer Huys, met roers, ende die ofte schieten, ofte met het schencken vanstercke Wateren, Bier ofte Wijn, 'tzyin 't afvorderen naer gedane inschrijvingen, ofte Trouw, van Ry-Bieren, ofte BoxemBieren, ofte auansel Bieren, ofte wat naem soodanige quade ghewoonten ende insolentien mogen hebben. De boetes zijn niet mals, die lopen op van twaalf gulden voor het eerste vergrijp naar honderd gulden voor het derde. Ook echtparen die daartoe medewerking of aanleiding geven, kunnen rekenen op een boete van 25 gulden.

Deze reglementering maakt een eind aan een oud gebruik, het zogenaamde kwanselen en het losschieten van de bruid. Dat zijn rituelen, waarbij de vrijgezellen in de buurt - zowel familie als buren - van het aanstaande paar de overgang van de vrijgezellentijd naar de gehuwde staat vieren, meestal met de nodige hoeveelheid drank.

Bij gelegenheid van een huwelijk of ondertrouw eist de jonkheid een traktatie in de vorm van bier of sterke drank, het zogenaamde kwanselbier. Dat gaat gepaard met het nodige rumoer in de vorm van roepen, schreeuwen en zingen. Het gebruik van de kwanselbieren is gebaseerd op het principe van wederkerigheid: de aantasting van de huwelijksmarkt (er wordt een vrijgezelle vrouw onttrokken aan de huwelijksmarkt) compenseren door de achterblijvende vrijgezelle jongeren af te kopen met traktaties. Het woord 'kwansel', dat ruilen of uitwisselen betekent (vergelijk de uitdrukking iets verkwanselen), benadrukt deze wederkerigheid. Daarnaast kent Van Dale aan kwanselen de betekenis van verkwisten en morsen toe, wat in het kader van deze uitbundige traktaties zeker toepasselijk is.

Het losschieten van de bruid heeft een andere achtergrond en betekenis. Om het afscheid van de 'jonkheid' en de overgang naar de huwelijkse staat te markeren, knallen buurtgenoten en vrienden bij het huis van de bruid steevast met geweren of met kleine tafelkanonnetjes (zogenaamde donderbussen). De overgang van de vrijgezelle- naar de gehuwde status werd door het gezamenlijke drinken bezworen en beklonken. Het schutten van het aanstaande echtpaar was bedoeld om een rituele barrière op te werpen, het bij de kwanselbieren veel voorkomende schatten duidt op het vaststellen van de waarde van de bruid.

Deze gebruiken komen in enkele varianten voor, maar de overeenkomst zit hem in de verstrekking van vrij drinken. Mede door het overmatige drankgebruik vonden bij het 'losschieten' regelmatig ongelukken plaats en er bestond altijd het risico van rellen, waarvoor de wereldlijke overheid beducht was. De kerkelijke overheid was eerder bang voor de sexuele uitspattingen tijdens de festiviteiten.(16)

Deze festiviteiten waren uiteraard een doorn in het oog van de katholieke pastoors, maar evenzeer of mogelijk nog meer van de protestantse predikanten en kerkenraden. Daarom ook dat de kerkenraad van de Nederduits-Gereformeerde gemeente in Tilburg en Goirle zo heftig reageert in 1655 op een waarschijnlijk uit de hand gelopen kwanselfeest in Goirle. Zij hebben met de uitvaardiging van het nieuwe echtreglement een instrument in handen gekregen om deze kwalijke traditie te bestrijden.

Mogelijk was de reeks weddenschappen tussen 1655 en 1667 een soort van protest vanuit een bepaalde katholieke klasse (de inzet is vaak laken), die een nieuwe vorm van vertier zocht nu het kwanselen hen was afgenomen. Dat zou ook verklaren waarom de leeftijd van de deelnemers over het algemeen aan de lage kant was. Overigens werd de soep niet zo heet gedronken als die werd opgediend. Het is opmerkelijk dat kort daarop bij notaris Johannes van Rotterdam diverse weddenschappen werden afgesloten, waarbij het al dan niet trouwen binnen een bepaalde tijd van de betrokken persoon bepalend was wie er moest betalen. Johannes van Rotterdam maakte zelf deel uit van de Nederduits-Gereformeerde gemeente en zou dus eigenlijk van dergelijke praktijken niets moeten weten. Blijkbaar was hij geen scherpslijper. (Hij kwam op 16 juni 1656 vanuit Oudenbosch en liet zich toen inschrijven als lidmaat van de hervormde gemeente in Tilburg.)

Het kwanselen en het losschieten van de bruid is pas in de loop van de negentiende eeuw definitief in onbruik geraakt, hoewel de tegenwoordige vrijgezellenavond zeker ook in deze traditie past.

[Deze blogpost is een bewerking van een artikel van mijn hand dat eerder verscheen in het tijdschrift De Brabantse Leeuw, 2001. nr 2, pp 89-96.]

Noten:

1. Oxford English Dictionary, Oxford University Press. (z.d.). Wed, v. In Oxford English Dictionary. Geraadpleegd op [datum van raadpleging], van https://www.oed.com; Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (EWN)Philippa, M., Debrabandere, F., Quak, A., Schoonheim, T., & van der Sijs, N. (2003–2009). Etymologisch woordenboek van het Nederlands (vier delen). Amsterdam University Press.
2. Regionaal Archief Tilburg (RAT), archief 14, Schepenbank Tilburg, 9 november 1665.
3. G. van Synghel, Het Bosch Protocol. Een praktische handleiding ('s-Hertogenbosch, 1993) 175.
4. RAT, archief 14 schepenbank Tilburg & Goirle, civiele processtukken Tilburg, voorlopig inventaris 1871.
5. RAT, idem, Varia, doos 676. (niet teruggevonden)
6. L.F.W. Adriaenssen, „Kleur voor Tilburgs laken. Lakenververijen in stad en meierij van Den Bosch in in Breda in de zeventiende eeuw", Noordbrabants Historisch Jaarboek. XVI (1999) 227.
7. RAT, archief 14 schepenbank Tilburg en Goirle, Voogdij- en boedelrekeningen Tilburg 665-9.
8. RAT, 14. Schepenbank, Criminele processen Tilburg, 1678-1679; archief 14 schepenbank Tilburg & Goirle, 616, 30 april 1678 (twee akten); 29 april 1678; 5 mei 1678; 28 april 1678 (twee akten).
9. RAT, archief 115, Notarieel archief Tilburg, invnr 18, f 61.
10. RAT, idem, invnr 19, f 42.
11. RAT, idem, invnr 20, f 33.
12. RAT, idem, invnr 20, f 38.
13. RAT, idem, invnr 21, f 90v.
14. RAT, archief 14 schepenbank Tilburg & Goirle, varia, doos 676.
15. RAT, archief 115, Notarieel Tilburg, invnr 23, f 103.
16. RAT. archief 304, Hervormde gemeente Tilburg la.
17. G. Rooijakkers, Rituele repertoires. Volkscultuur in oostelijk Noord-Bruhant 1559-1853 (Nijmegen. 1994) pp. 326-331,416-431.