Posts tonen met het label Hovers. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hovers. Alle posts tonen

zondag 15 april 2012

Een slagerij bouwen in 1905

Mijn grootvader Bernardus de Brouwer (2 maart 1878 - 29 januari 1961) koos een ander beroep dan zijn broers en zuster. Die gingen als arbeider aan de slag in verschillende bedrijven in Tilburg of gingen de horeca in. Bernard de Brouwer koos voor het beroep van slager.

Zijn opleiding kreeg hij bij diverse slagers in de omgeving. Hij vertrok op 26 februari 1897, 19 jaar oud, naar Dongen. Daar staat hij ingeschreven vanaf 29 maart 1898 bij slachter Wilhelmus van der Put. Die had zijn winkel op de Hoge Ham. In het bevolkingsregister van Dongen staat geen beroep bij de inschrijving van Bernard de Brouwer. Van Dongen vertrok hij naar Oisterwijk op 20 december 1899. Daar woonde hij bij slager Johannes van Beugen op het Kerkeind. Hier staat zijn beroep wel vermeldt: slager. Blijkbaar had hij al genoeg ervaring om die beroepsnaam te mogen dragen. Op 4 april 1900 ging terug naar zijn vader in Tilburg. In Tilburg werkte hij een tijdlang bij slager Herculeijns.

Toen het tijd werd om op eigen benen te staan wilde hij een eigen slagerij starten. of dat zijn eigen initiatief was of dat hij geïnspireerd was door zijn aanstaande vrouw is niet bekend. Uit de overlevering is wel bekend dat mijn opa geen zakenman was. Een prima slager, maar slecht in het tevreden houden van de klant. Zijn vrouw was daar veel beter in en samen vormden ze daarom een prima stel.

Johannes Cornelis de Brouwer
Johannes Cornelis de Brouwer.

Hoe nu verder? Een eigen slagerij starten was geen sinecure. Mijn voorouders waren geen kapitaalkrachtige mensen en het kopen van een pand vereiste wel geld. Mijn opa had geen eigen middelen en moest een beroep doen op het gezinskapitaal. Hoe dat precies is gelopen, dat weet ik niet. Uit de documenten wordt wel enigszins duidelijk dat het gezin van mijn overgrootvader Johannes Cornelis de Brouwer de kosten moest opbrengen. Mijn opa was derde in de rij kinderen. De meesten woonden nog thuis. Mogelijk dat hun gezamenlijke inkomen de noodzakelijke zekerheid bood om het riciso te dekken.

In 1904 moet het plan om een eigen slagerij te gaan bouwen zijn ontstaan. Op 17 januari 1905 verklaarde P.J. Jongbloets, agent in assurantieën, dat hij had verkocht aan Jan de Brouwer (...) een bouwterrein hoek Tuin en Telephoonstraat, voor een bedrag van 2400 gulden. Het daadwerkelijke transport moest plaats vinden voor of op 15 februari van dat jaar. Het was Johannes Cornelis de Brouwer die de grond kocht en daarmee opdraaide voor de kosten. Het transport vond plaats op 13 februari. De koopsom bedroeg echter slechts 1950 gulden. Waarom dat verschil? In de koopakte staat een voorwaarde genoemd, namelijk dat de nieuwe eigenaar op het perceel de eerste 50 jaar geen koffiehuis of herberg mochten beginnen. Gebeurde dat toch dan moeten ze de verkoper alsnog 500 gulden betalen. Deze voorwaarde komt ongetwijfeld voort uit het feit dat de verkoper, Jongbloets, zijn eigen huis had gebouwd naast het verkochte perceel. Hij had geen behoefte aan rumoerige buren.

Kwitantie
Kwitantie voor Johannes Cornelis De Brouwer. 1905.


Het terrein waar deze bouwgrond lag maakte deel uit van de Heuvelse Akkers, een landbouwgebied dat na de komst van het station in 1863 geleidelijkaan is volgebouwd. De bebouwing vond plaats deel uit particulier initiatief en deels geleid vanuit de gemeente Tilburg. Ik heb er 1991 een artikel over geschreven samen met Joost van Hest.
Deze bouwgrond maakte eerder deel uit van de siertuin die hoorde bij de villa van fabrikant Bogaers aan de Willem II-straat. Het was zo'n beetje het laatste perceel in het hele gebied dat nog leeg was. Dus mijn opa koos een prima plaats in deze "nieuwbouwwijk", nieuw publiek met een zeker welstand. Dat bood voldoende perspectief maar betekende ook dat je een klantenkring moest opbouwen.

Blauwdruk Tuinstraat 58
Blauwdruk van het pand dat mijn opa liet bouwen. 1905.

De grond was aangekocht, nu nog een slagerij, rokerij en woonhuis erop. Dat kostte opnieuw geld. Deze keer moest het geld ergens anders vandaan komen, maar het bleef nog steeds binnen de familie. Adrianus J.F. de Brouwer, onderwijzer, en neef (oomzegger) van Johannes Cornelis de Brouwer, financierde de bouw. Voor notaris Vroemen in Udenhout werd dat geformaliseerd op 23 augustus 1905. De lening bedroeg 4200 gulden. Het bouwterrein aan de Tuinstraat diende als onderpand. De rente op de lening bedroeg 4,25%.
Een andere hindernis was de vergunning. Niet alleen de bouwvergunning, maar ook de vergunning om een slagerij en rokerij te mogen oprichten en het bedrijf te mogen uitoefenen. De ambtelijke molen draaide zoals het hoorde en de toestemming verkreeg mijn opa op 16 september 1905. Elf dagen later trad hij in het huwelijk met Elisabeth Hovers.

Deuropening Tuinstraat 1958
Mijn vader en mijn oma in de deuropening van de slagerij met een beetje inkijk in de winkel. 1933.


Het woonhuis met slagerij en rokerij had een verdieping! Mijn vader sprak steeds van die verdieping omdat dat in de overlevering van de familie iets bijzonders was. Voor Tilburg was dat ook bijzonder, maar het was een voorwaarde om in dit nieuwe woongebied te mogen bouwen. Het pand staat er nog steeds maar een slagerij zit er tientallen jaren niet meer in.

Voorwaarde voor de geldlening was een verzekering. Johannes Cornelis de Brouwer sloot als eigenaar een verzekering af voor 5000 gulden op het nieuwe pand. Eigenlijk zijn het twee panden, het winkel-woonhuis en de slagerij die los van het huis stond. Het winkel-woonhuis was verzekerd voor 4500 gulden en de slagerij voor 500 gulden. Beide bedragen werden in 1919 verhoogd tot respectievelijk 9000 en 1000 gulden. Een verdubbeling dus. De premie bedroeg vanaf die datum fl. 10,50. In 1921 nam Bernard de Brouwer het eigendom over en daarmee moest de polis door hem worden overgenomen. Opnieuw werd de waarde van beide panden verhoogd, nu tot 13000 gulden voor winkel-woonuis en 2500 gulden voor de slagerij. Daardoor was de waarde van het pand in 16 jaar tijd meer dan verdrievoudigd.
BCJ de Brouwer, zoon Frans en een prijskoe
Bernard de Brouwer (rechts), zoon Frans (voorgrond) en een prijs(?)koe. ca. 1920.

Bernard de Brouwer had zelf een inboedelverzekering afgesloten voor deze panden op 26 februari 1906. De polis liep bij dezelfde maatschappij: de BrandverzekeringsMaatschappij Holland. Pikant detail: de verkoper van de grond, Jongbloets, was de vertegenwoordiger van deze verzekeringsmaatschappij. De inboedel bestond uit een waarde van 5 gulden voor boeken, 50 gulden voor juwelen e.d., 200 gulden beddegoed etc. De inboedel van de slagerij bestond o.a. uit 200 gulden voor slagersgereedschappen. De totale verzekerde waarde bedroeg 1450 gulden. De inboedelverzekering werd in 1921 verhoogd naar 7000 gulden en in 1929 tot maar liefst 9500 gulden. Slager de Brouwer raakte in goeden doen.

Bernard de Brouwer heeft tot na de Tweede Wereldoorlog de slagerij uitgebaat. Daarna nam zijn zoon Frans de zaak over.

zondag 11 maart 2012

Tante Regine en de liefde

Mijn tante Regine is ongetrouwd gebleven. Ik weet niet of iemand ooit aan haar heeft gevraagd waarom en of die persoon ook een eerlijk antwoord heeft gekregen.
De overlevering zegt dat mijn grootouders erg rooms waren. Hun oudste zoon werd priester en missionaris. Van de vier dochters bleven er drie ongetrouwd. Hoe is dat zo gekomen? Van twee is bekend dat ze in ieder geval een man in hun leven hebben gehad. Werden de dochters kort gehouden? Geen idee. Ik weet wel dat de drie ongehuwde zussen alledrie in hun jonge jaren op een kostschool zijn geplaatst in Geffen. Het huishouden van mijn grootouders was druk. Ze hadden een slagerij, zelf gebouwd én gefinancierd. Dat bracht een heleboel verplichtingen met zich mee, dus het draaiend houden van de winkel stond boven aan de prioriteitenlijst. Een grote kinderschare in huis was daarbij niet handig. Daarom zijn de dochters, maar ook de zoons, op kostschool geplaatst. Dat heeft mogelijk ook met de keuze voor een goede, stichtelijke opleiding te maken, maar het had zeker ook een praktische reden.

Tante Regine had in ieder geval een liefje. Zijn naam was Wim Hovers. Hij was haar achterneef. Hoe ze elkaar hebben leren kennen is mij niet bekend. In haar nalatenschap zaten diverse foto's van haar samen met Wim. Ze had ook een zondags misboek van hem gekregen op Sinterklaas 1929. Een halfjaar later kreeg ze tuberculose en begon haar tocht langs sanatoria in de strijd tegen deze ernstige ziekte. Het zal ongetwijfeld gevolgen hebben gehad voor hun relatie en vriendschap. Vanwege het besmettingsgevaar was persoonlijk contact, laat staan intiem contact, onmogelijk. Het verblijf in de verschillende klinieken maakte het waarschijnlijk nog moeilijker. Deze liefdesgeschiedenis liep tragisch af. Wim Hovers was ook ziek, waarschijnlijk leed hij ook aan tuberculose. Hij overleed op 12 december 1932. Mijn tante Regine verbleef op dat moment voor het eerst in Dekkerswald. Dat moet een enorme impact hebben gehad. Was deze man de liefde van haar leven en heeft zijn overlijden haar weerhouden van een nieuwe relatie?

Tante Regine heeft haar verdere leven in goede gezondheid geleid. Natuurlijk had ze haar klachten, zeker op oudere leeftijd. Op een gegeven moment was zelfstandig wonen, de zus waarmee ze samenwoonde overleed in 1989, niet meer verantwoord. Ze verhuisde van Residence De Noordhoek naar woonzorgcentrum Venloene in Loon op Zand. Daar sleet ze haar laatste levensjaren.
Een nicht van mij was op een dag bij tante Regine op bezoek. Ze had haar pols gebroken en kon niet alleen blijven. Tijdens dat bezoek bekeken ze ter afleiding samen oude foto's. De geestelijke toestand van tante Regine was niet meer goed en in die toestand verliezen mensen vaak remmingen die ze hun hele leven onder controle hebben gehad. Bij het bekijken van de foto's van Dekkerswald ontviel tante Regine een onverwachte felle uitbarsting. Iets wat helemaal niet bij haar paste. "Denkte da ik dè altij zo leuk gevonden heb, en dè de mensen altè zeeje:"Wè hedde gij naauw meegemakt. Wè witte gij daar naauw toch van? Ik haj 't ok liever anders gewild." Mijn nicht vroeg voorzichtig door en toen kwam de aap uit de mouw. Wim Hovers overleed tijdens haar verblijf in Dekkerswald en niemand had de moeite genomen om haar dat te vertellen. Vanwege het strenge regime was contact met de buitenwereld niet eenvoudig. Maar bezoek was toegestaan en ik neem aan dat corresponderen geen probleem was. Desondanks hoorde ze pas veel later van zijn overlijden.

Een schokkend verhaal.

Het zegt veel over de sociale interactie in het gezin, tussen ouders en kinderen maar ook tussen kinderen onderling, en over de geslotenheid en het uitsluiten van emoties. Iets wat overigens niet uitsluitend in mijn familie voorkwam. Het zal haar ongetwijfeld getekend hebben. Heeft ze vertrouwen verloren en durfde ze geen relatie meer aan te gaan? Heeft ze zich bij dit lot neergelegd en is ze overgegaan naar een staat van berusting? Ze klaagde niet makkelijk.
Het is zonder twijfel een ernstig traumatische ervaring geweest om een geliefde te verliezen op die leeftijd, in die situatie en op die manier. Je wenst het niemand toe.


[fotograaf Ruud de Brouwer]