vrijdag 13 maart 2026

De gemeint op het Winkel in Udenhout

Het gebied dat onderwerp is van onderstaand artikel ligt tussen de huidige Winkelsestraat met als westelijke begrenzing de Gommelsestraat. 

In 1698 vond er een omvangrijke verkoop plaats van gemeenschappelijke gronden uit de Haarense gemeint. Eén van de terreinen lag op het Winkel. 


De gemeint 

De gemeint, ook wel vroente of aard genoemd, is een terrein dat de gemeenschap gebruikt en dat niet in cultuur gebracht is (woeste grond). Geen van de gebruikers is eigenaar van deze "gemene gronden".

Op deze gemeenschappelijke gronden weiden de boeren hun runderen en paarden, de schapen begrazen de heide. De heiplaggen dienen ook als dakbedekking en de gemaaide hei gaat als strooisel de stal in. De bijen kunnen er azen zodat er honing komt; er zijn bouwmaterialen te halen en je kunt er jagen, vogels vangen of brandstof steken in de vorm van turf. 

Het strooisel en ander afval komt terecht in de zogenaamde potstal. In dit staltype staan de beesten op een bed van strooisel. Dat vermengt zich in de loop van het jaar met hun ontlasting en dat geheel vormt een pak broodnodige mest. De boer rijdt het verse pakket mest uit over zijn land dat daardoor geschikt blijft om voldoende vruchten voort te brengen. In dat proces speelde de gemeint een belangrijke rol. 

De grotere hoeven in Udenhout waar pachters op werkten, hadden vaak hun eigen onontgonnen gronden die zeer waarschijnlijk dezelfde functie vervulden als de gemeint voor de overige boeren. Deze gronden lagen soms aan de landbouwgrond, maar we zien ook dat de hoeven aan de zuidkant van de Groenstraat en Biezenmortelsestraat hun beemden, broekvelden en heivelden ten noorden van die straten hadden liggen.

In de 13de en 14de eeuw geven de hertogen van Brabant (en enkele lokale heren die dergelijke gronden in bezit hadden) deze gemeint uit in gebruik aan de bewoners van de gemeenschappen in hun gebied. De woeste gronden behoren tot de zogenoemde Regalia, de rechten die sinds de Karolingische tijd aan de koning toekomen of die hij zich heeft toegeëigend. Voorbeelden daarvan zijn het jachtrecht, het windrecht en muntrecht. De wildernis vormt ook een regaal en om dat te mogen gebruiken betalen de bewoners een vergoeding. Die vergoeding bestaat uit een zogenaamd voorlijf, dat was een eenmalig bedrag, en een kleiner, een jaarlijks op te brengen bedrag, de cijns. Daarmee garandeert de hertog of lokale heer jaarlijkse inkomsten voor zichzelf en blijft duidelijk wie de eigenaar is. 

Er ontstaat op dat moment wel een merkwaardige eigendomsverhouding. De gemeenschap mag de gemeint gebruiken en betaalt daarvoor jaarlijks een bedrag. 

De hertog verspeelt op datzelfde moment wel het recht om de grond zelfstandig te verkopen. Van de andere kant mogen de nieuwe gebruikers de gemeint ook niet zomaar verkopen. Daarvoor hebben ze toestemming nodig van de hertog, een zogenaamd octrooi. Op dat moment treedt de hertog weer op als eigenaar. Als er delen van de gemeint worden verkocht, gaat de opbrengst van de verkoop in de kas van de gemeenschap. Maar tegelijkertijd behoudt de hertog zijn recht om er cijns uit te blijven heffen. Zo blijft zijn oude eigendomsrecht min of meer in stand en zijn inkomsten nemen toe. 

Het registreren van de hertogelijke inkomsten uit deze cijnzen gebeurt in cijnsboeken. Het uitgestrekte hertogdom Brabant is onderverdeeld in cijnskringen, kleinere, administratieve regio's. Udenhout hoort bij de cijnskring Oisterwijk. De cijnsboeken geven een goed overzicht van de percelen die in de loop der eeuwen in gebruik zijn genomen en de namen van hun eigenaren. De inning van de cijnzen is in handen van een rentmeester. Die moet weten van wie hij de cijnzen moet ontvangen. Het bijhouden van de cijnsboeken was daarom van wezenlijk belang om de inkomsten van de hertog veilig te stellen. 


De Haarense gemeint 

Het gebied van de Winkelse gemeint gezien via Google Earth in maart 2026.
De sporen van de verkopingen uit de 17de, 18de en 19de eeuw zijn nog te herkennen.
Op 24 mei 1309 verkoopt Jan II, hertog van Brabant, aan de inwoners van Haaren de gemeint. In deze akte staan de grenzen van het gebied dat als gemeint geldt precies omschreven. Ferdinand Smulders heeft aan deze grensaanduidingen in de Kleine Meijerij een artikel gewijd. Daaruit blijkt zonneklaar dat Udenhout deel uitmaakte van de Haarense gemeint, maar ook (delen van) Helvoirt, Oisterwijk, Berkel, Heukelom en Enschot. De verkoop levert de hertog direct een bedrag van 200 pond op. Tevens regelt de akte dat de gebruikers van de gemeint jaarlijks vijf pond moeten betalen als vergoeding. 

In de hertogelijk cijnsboeken van 1340, 1380 en 1448 staat dat de inwoners van Haaren voor het gebruik van hun gemeint het bedrag van 25 oude schilden betalen. Dat zal wel het equivalent zijn van de 5 pond die genoemd staat in de akte van 1309. 

(It. vicini de Haren de eorum communitate 25.s. vet.) 

In sommige gevallen krijgen personen alsnog rechten in een andere gemeint dan die waar ze eigenlijk toe behoren. In die gevallen ontvangen ze een zogenaamde aardbrief waarmee je dat recht verwerft. Zo zien we dat enkele hoeven in Biezenmortel rechten hebben in de aard of gemeint van Helvoirt. Dat betekent dat de pachters of eigenaren gebruik mogen maken van de gemeenschappelijke gronden van Helvoirt. 

Een akte uit 1615 beschrijft waar de Haarense gemeint op dat moment voor gebruikt werd: De gemeijne naegeburen ende ingesetenen vande dorpen ende vlecken van Haren, Udenhoudt ende Berckel hebben samen sekere wilderie ende gemeijnte; zij gebruijcken die wilderie met henne koeijen, perden ende horenbeesten daerop te stouwen ende te weijen; oock henne schapen ende lammeren daerop te drijven, te hueden ende te weijden. Om misbruik van de gemeint te voorkomen zijn er keurmeesters (ook gezworenen genoemd) aangesteld die toezicht houden. In dit geval één voor Haaren en één voor Udenhout en Berkel. De aanstelling van schutters moet ervoor zorgen dat er geen beesten van eigenaren die geen rechten hebben in de gemeint grazen en rondlopen. Deze functionarissen zetten vee dat niet in de gemeint thuishoort vast in een schutskooi. De eigenaar kan zijn beesten daar terughalen na betaling van een passende boete. 

 

De uitgifte van 1698 

Er waren meerdere redenen waarom uit de gemeint percelen werden verkocht. Één van de redenen was de behoefte aan nieuwe landbouwgrond. Een groeiende bevolking had meer voedsel nodig en daarom meer productieve grond. Een andere reden was van financiële aard. Vooral oorlogen betekenden een aanslag op de dorpsfinanciën. Om vijandelijke legers op afstand te houden moest men ze afkopen. 

Kwamen ze toch in de gemeenschap terecht dan waren het de inkwartieringen of, nog erger, de plunderingen die veel geld kosten. Om de financiën weer op orde te krijgen kon de verkoop van een deel van de gemeint dienen. Met het geld dat de verkoop opleverde konden de tekorten worden aangevuld en leningen worden afgelost. 

In het archief van de raad- en rentmeester-generaal der domeinen bevindt zich een register met daarin de verkoop van de gemeint op het Winkel. In het begin van dat register verklaren Jacob Lombaerts en Jan Aert Hendricx Vuchts als borgemeesters van Haaren dat deze verkoop is gebaseerd op een octrooi van 14 maart 1587 dat door de koning van Spanje is verleend en door de Raad van State op 26 februari 1650 is bekrachtigd. In dat octrooi staat dat de opbrengst bedoeld is om de oorlogslasten te bekostigen die zijn ontstaan ten gevolge van de oorlog tussen Spanje en de Republiek der Verenigde Nederlanden. 


De borgemeesters van Haaren gaan in 1698 uit hun gemeint verkopen: verscheijde hoecken ende parceelen van hender gemeijnte gelegen binnen de paelen ende limiten in hander caerte gespecificeert ter plaetsen genoemt Carckhooven, Huijckelom, Entschot, Berckel, Udenhout. De kopers moeten daarvoor jaarlijks een bedrag van 4 stuivers per bunder betalen op de gebruikelijke cijnsdag. Voor Oisterwijk en ook Udenhout is dat op St.-Thomasdag apostel: 21 december. 

Bij deze verkoop worden meerdere percelen verkocht in verschillende dorpen. 

Binnen Udenhout zijn er ook gronden te koop bij de Kreitenmolen. Onder het kopje 

Opt Hooghwinckel volgt de opsomming van de percelen die daar verkocht zijn. Elk perceel is één bunder groot. De eigenaren van deze nieuwe erven zijn: Jan Cornelis Breeckelmans (1), Aert Peter Goijaert Heeren (2), Jan Andries Scheijven (3), Jan Jansen Hessels en Anthoni Cornelis Witlocx (4), Zeger Jacob van der Voort (5), Hendrick Jansen Vermeer (6), Dirck Embert Appels (7), Willem en Jacobus Lombarts en Peter Peter Vuchts (8), Adriaen Matthijs Francken (9) en tot slot Cornelis Jan Driessen (10). 


Afb. 2. De 10 percelen in de Winkelse gemeint die in 1698 zijn verkocht.
Het wegenpatroon op het moment van uitgifte is niet bekend. We kunnen er vrijwel zeker van uitgaan dat de weg rondom de Winkelse gemeint er al lag. Het diagonale 

voetpad dat dwars door de percelen loopt zal ook van oudere datum zijn. Het is 

moeilijk voor te stellen dat na de uitgifte een dergelijk voetpad nog kan ontstaan. 

De wegen zijn aangelegd om de nieuwe percelen, ook na latere uitgiften, goed 

bereikbaar te maken. De weg (B) die deze nieuwe erven van 1698 doorsnijdt zal 

voor dat doel zijn aangelegd, evenals de zuidelijke weg (C) langs de percelen. In de beschrijving van de afzonderlijke percelen is geen enkele keer een weg als begrenzing genoemd. 

Het gegeven dat de percelen allemaal dezelfde grootte hebben pleit er voor dat de 

centrale rechte weg (B) meteen bij de uitgifte in 1698 is vrijgehouden en kort daarna 

is aangelegd. Anders zouden de eigenaren van de aangrenzende percelen een deel 

van hun grond hebben moeten afstaan. Daarvan zijn geen bronnen te vinden. 

In drie verkopingen uit de gemeint van latere datum zijn even zovele percelen 

verkocht die gelegen waren naast percelen uit de uitgifte van 1698. 

In 1726 kocht Jenneke Bouwens, de weduwe van Jan Cornelis Brekelmans, een 

stuk erf van 4 lopen naast het perceel dat wijlen haar man in 1698 had gekocht (nr. 

1). Dat nieuwe perceel kostte haar 3 stuivers cijns per jaar. 

In 1739 kocht Cornelis Jan Cornelis Jan Martens een perceel heiveld van 2 lopen en 

30 roeden. Dat lag boven het perceel dat in zijn bezit was gekomen in 1737 na 

aankoop van Cornelis Jan Hessels. (de bovenste helft van nr. 4). Waarschijnlijk is 

toen ook het weggetje vanaf zijn woning aan het Winkel aangelegd, dat rechtstreeks 

naar zijn nieuw verworven grond liep. 

Op 30 maart 1752 gaf Philip Willem de Schmeling, raad en rentmeester generaal der 

domeinen van Brabant in het kwartier van 's-Hertogenbosch, toestemming aan Adriaen Cornelis Roosen om van de gemeint van Udenhout, geheten op het Winkel, een perceel van 2 lopen in gebruik te nemen. Hij mocht op dat perceel een hutje of huisje bouwen voor zichzelf en zijn vrouw en kinderen en moest daarvoor jaarlijks betalen aan de domeinen van Brabant een gewincijns van 1 stuiver.


Afb. 3. Kaart situatie 1752: Jenneke Bouwens, weduwe Jan Cornelis Brekelmans (1726), Cornelis Jan Cornelis Jan Martens (1739) en Adriaen Cornelis Roosen (1752)


Als Udenhout in 1803 een zelfstandige gemeente wordt is het noodzakelijk de grenzen van de Haarense gemeint vast te stellen. Dat neemt ongeveer twee jaar in beslag. Op 11 april 1805 zijn de nieuwe grenzen vastgesteld. Het departementaal bestuur van Brabant keurt ze goed op 6 juni 1805. 

Namens de nieuwe gemeente Udenhout verkopen Willem Willem van Iersel en 

Adriaan Aart Bergmans, als gemachtigden van het gemeentebestuur van Udenhout, 

op 3 augustus 1807 gemeentegronden. Het waren in totaal 35 percelen waarvan er 

17 in het deel van het Winkel liggen waar dit artikel over gaat. Het zijn de percelen 

aan de oost-, noord- en westzijde van de strook die in 1698 is verkocht. Het mag 

geen verbazing wekken dat de percelen gekocht zijn door de eigenaren van de 

belendende percelen aan de buitenkant van de Winkelse straat. 

Twee maanden later, op 14 oktober 1807, verkoopt de gemeente Udenhout de 

laatste percelen. Het gaat dan om de zogenaamde voorpotingen van de percelen die 

in 1698 zijn verkocht. Het recht van voorpoting betekent dat ingezetenen het recht 

hebben om de gemeint voor hun erf tot een zekere afstand te beplanten (bepoten) 

met (opgaande) bomen. Dat dient vooral om te voorzien in de behoefte aan 

timmerhout aangezien uitgestrekte bossen ontbraken. Met deze verkoop is het hele 

gebied in handen gekomen van particulieren.


Afb. 4. Kaart situatie 1807: 

Jan Laurens Vermeer (1), Gerard Hendrik Heijmans (2), Arnoldus van de Ven (1/4) en 

Cornelis Frans van de Pas (3/4) (3), Marten Michiel Koolen (4), Cornelia Adriaan Vugts, 

weduwe Willem Martens (5), Arnoldus Adriaan Vermelis (6), Elisabeth Peter Smeijers, 

weduwe Hendrik Boudewijns (7), Martinus Hendrik Heijmans (8), Cornelia Adriaan Vugts, weduwe Willem Martens (9), Cornelis Hendrik Heijmans (10), Cornelis Nicolaas van de Pasch (11), Joannes Hendrik van Iersel (12), Petronella Jan de Lepper, weduwe Cornelis Martens (13) Joannes Adriaan van der Schoot (14), Lambert Peter Verhoeven (15). (16) is de voorpoting die in oktober 1807 is verkocht.


Nawoord

De altijd voortschrijdende techniek stelt ons in staat om met behulp van pasklare software dit soort ontwikkelingen, na intensief bronnenonderzoek, in beeld te brengen. Gevoegd bij de toenemende beschikbaarheid van bronnen op het wereldwijde internet biedt dat de mogelijkheid om het te vergelijken met de situatie nu. 

De update in september 2006 van Google Earth, de service van de Google zoekmachine die satellietopnamen van de hele wereld gratis ter beschikking stelt, maakt het mogelijk om hoogwaardige beelden van het Winkel in de huidige perceelverdeling naast de historische plattegrond te leggen. Het is opvallend te zien dat de sporen van de uitgiften uit de 17de, 18de en 19de eeuw voor een belangrijk deel nog steeds herkenbaar zijn, meer dan 300 jaar later. 

Afb. 4. Het gebied van de Winkelse gemeint gezien via Google Earth in september 2006. Er zijn nog steeds sporen te zien van de oude verkopingen uit de 17de, 18de en 19de eeuw.


[Dit artikel is eerder verschenen in: Unentse Sprokkels nr 4, maart 2007]


Literatuur: 

Asseldonk, M.M.P. van, De meierij van 's-Hertogenbosch, de evolutie van plaatselijk bestuur, bestuurlijke indeling en dorpsgrenzen, circa 1200-1832 (Katholieke Universiteit van Brabant 2002) 

Bakker, W. de, 'De Kreitehei en de uitgifte onder Oisterwijk kort na 1800', De Kleine Meijerij, jg. 27 (1976), nr. 4, pp 88-102. 

Camps H., Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312, I, ('s-Gravenhage 1979) nummer 778 

Iersel, F. van, ‘Udenhoutse boeren in conflict met Helvoirt’, De Kleine Meijerij, jg 53 (2006) nr.4 pp. 125-136 

Smulders, F.W., 'De gemeijnte van Haaren', De Kleine Meijerij, jg. 25, (1974), nr. 1, pp. 6-11. 

Vera, H.L.M., 'Gemene gronden'. In: J.G.M. Sanders (eindred.), Noord-Brabant tijdens de Republiek der Verenigde Nederlanden, 1572-1795. Een institutionele handleiding. 


Archieven: 

Brabants Historisch Informatie Centrum 

Archief van de raad en rentmeester generaal, inv.nr. 222, 225. Cijnsboeken van Haaren. 

Archief van de leen- en tolkamer, inv.nr. 336 – verkochte gemeentegronden tussen 1662 en 1740. 

Regionaal Archief Tilburg 

Schepenbank Oisterwijk, algemeen protocol, inv.nr. 440, f.36v-42, 3 augustus 1807; f.55-62, 14 oktober 1807; inv.nr. 421, f.169v-170, 30 maart 1752. 

 

Websites:

Van de hertogelijke cijnsboeken zijn de transcripties (van de hand van Wim de Bakker) te vinden op de website van de Kleine Meijerij: 

http://www.do.nl/heemkunde/Bronnen/hertogelijk_cijnsregister/1340 oisterwijk.htm 

http://www.do.nl/heemkunde/Bronnen/hertogelijk_cijnsregister/1380 oisterwijk.htm 

http://www.do.nl/heemkunde/Bronnen/hertogelijk_cijnsregister/1448 oisterwijk.htm 

http://earth.google.com/ 

vrijdag 27 februari 2026

De Bossche Nicolaes Eijmberts als Medicine doctor in Tilburg

Dokter bezoekt een welgestelde patient. 18de eeuw

Nicolaes Eijmberts is geboren in 's-Hertogenbosch, als zoon van Casper Eijmberts (geboren in Alem) en Anna Margrieta Drajers, geboren in Gelderland. Dit echtpaar ondertrouwt op 15 februari 1681 en trouwen op 2 maart daaropvolgend in Den Bosch. Voorzover bekend krijgen zij zes kinderen in de periode 1684 – 1694. Hun derde kind krijgt de doopnamen Embertus Nicolaus en dat is zeer waarschijnlijk dezelfde persoon als de man in de titel van dit artikel. Hij is gedoopt op 6 december 1689. Dat is mogelijk de reden dat hij vernoemd is naar de beroemdste jarige op die dag: Sint Nicolaas. Zijn tweede doopnaam, waarschijnlijk toegevoegd vanwege zijn geboortedag, is in dit geval zijn roepnaam geworden en hij staat in de bronnen nooit anders genoemd dan Nicolaes Eijmberts.

Over de familie waarin hij opgroeit is verder weinig bekend, ik heb er ook geen onderzoek naar gedaan. Helaas is er ook niets bekend over zijn opleiding. Het ligt voor de hand om aan te nemen dat hij zijn medische opleiding heeft genoten in het Belgische Leuven. Die universiteit had de katholieke signatuur en aangezien Nicolaes katholiek is zal hij daar zijn opleiding doorlopen hebben. Hoewel er gepubliceerde lijsten zijn van de afgestudeerden komt zijn naam, voorzover ik daar naar gezocht heb, op die lijst niet voor.

In in december 1711 solliciteert Nicolaes Eijmberts op de vacature die is ontstaan door het overlijden van Paulus Scholt, die tot zijn dood medicine doctor in Tilburg is geweest. Docter Scholt overlijdt op 31 augustus 1711. We mogen aannemen dat hij voor die datum zijn medische studie heeft afgerond. Eijmberts is er als de kippen bij om deze functie in te nemen. Op het moment dat hij het verzoekschrift schrijft, woont hij blijkbaar al in Tilburg. Hij wil graag in aanmerking komen voor het salaris van honderd gulden per jaar. Hij krijgt zijn aanstelling.

Dat brengt wel verplichtingen met zich mee natuurlijk. De drossaard en schepenen die hem per 1 januari 1712 aanstellen eisen van Nicolaes Eijmberts:
mits dat de suppliant gehouden blijft de arme menschen die vande armen alhier sijn leevende, des versocgt sijnde, getrouwelijck te visiteeren, ende aan selve de nodige mdicijnen uijt te reijcken. Ende voorts dien aangaande sig te quijten, ende te gedragen, als een goet ende opregt doctor inde medicijnen schuldig ende gehouden is te doen, want wij sulcx ten dienste van onse arme innegesetenen hoogh noodig geoordeelt hebben te behooren.

Hij krijgt die vergoeding voor het behandelen van de arme inwoners van Tilburg als ze iets mankeren. De arme Tilburgers kunnen geen dokter betalen maar hebben die natuurlijk wel eens nodig, evenals noodzakelijke medicijnen die ze gebruiken. De inwoners die het beter hebben kunnen zelf de dokter en zijn medicijnen betalen.

In dit blog heb ik twee gevallen beschreven waarbij de dokter nodig was. Dat was het geval van Adriaen Hoevenaars die een infectie in zijn been kreeg waardoor dat been deels moest worden afgezet (link). Het tweede geval betreft de malaria epidemie die in het dorp heerste rond 1728 (link).

Eenmaal een baan, was er een basis om een gezin te stichten. Zijn voorganger was van de protestantse religie maar Nicolaas was katholiek. In zijn kringen waren er voornamelijk protestantse meisjes voorhanden. We weten natuurlijk niet hoe principieel hij was, maar hij trouwde in 1713 met de protestantse Anna Margreta Otterinck. Zij was de dochter van de drossaard Dirck Otterinck. Een dochter met de naam Anna Margreta is niet terug te vinden in de doopboeken van de Nederlands Gereformeerde kerk.

Dirck Otterinck was in 1677 met de katholieke Angela Mutsaers getrouwd. Hun kinderen zijn in veel gevallen twee keer gedoopt, een keer voor de pastoor en een keer door de predikant. Je kunt niet zeker genoeg zijn. 
In 1702 staat er een Theodorus Otterinck uit Tilburg ingeschreven aan de Leuvense universiteit. Bij zijn inschrijving staat dat hij een geestelijke was, dus dat kan eigenlijk niet kloppen als het de schoonvader van Eijmberts betreft. Van de andere kant is zijn naam behoorlijk bijzonder; we kunnen niets uitsluiten. Mogelijk hebben Nicolaes Eijmberts en Dirck Otterinck elkaar op de universiteit leren kennen. Dat kan ook de reden zijn dat Eijmberts naar Tilburg kwam om als dokter aan de slag te gaan.

Het gezin Eijmberts krijgt zes kinderen die allemaal gedoopt zijn in de schuurkerk op 't Heike.

Nicolaas Eijmberts huurt op 24 januari 1714 een huis van Nicolaes van Dijck, koopman in Tilburg. Als dorpsdokter heeft hij een behoorlijk huis nodig. Het huis bevat in eenen ganck voor comptoir, opkamer en keucken, met de grote achterkamer, de kelder, de zolder en het turfschop en de helft van de tuin. Het gebouw ligt in het Nieuwland (de Nieuwlandstraat), dus in het centrum van het dorp, vlak bij kerk en markt. De huurperiode bedraagt vier jaar.
Handtekeningen van Nicolaas van Dijck en Nicolaes Eijmberts M:D: (Medicine Doctor)

Zijn schoonvader, inmiddels president-schepen van Tilburg, overlijdt in 1730 en uit zijn nalatenschap verkrijgt dokter Eijmberts onder meer een huis en half schop op Korvel met verschillende landerijen verspreid over Tilburg en Goirle. In dat huis gaat het gezin Eijmberts niet wonen. Waarschijnlijk verhuren ze het. De dokter gaat wonen in de Nieuwlandstraat, maar het is onduidelijk waar precies.

Dokter Eijmberts en zijn vrouw sterven kort na elkaar. Anna Margreta is begraven op 4 december 1737 en haar man op 22 maart 1738. Twee dagen later wordt er een inventaris opgemaakt van hun nalatenschap. Dat geeft ons een kijkje in de bezittingen van de dokter.

Zo staat er in de inventaris vermeldt: Een partij flesjes zo leedige als met medicijnen en Een partij drooge medicijne en kruijden

Als gestudeerd arts bezit hij ook een rijke bibliotheek die maar liefst 233 boecken soo folianten, quartalen, en octavie, zijnde Latijnde, Franse, en duijtse telt. Helaas is er geen lijst bewaard gebleven van die rijke bibliotheek.

Titelblad van een boek t.b.v. medicijnen studie
In de verdere inboedel bevindt zich nog o.a. een apoteek kas met sijn laatiens, Een boeke kas, Een tinne clisteerspuijt.Typisch voorwerpen die je bij een dokter in huis zou verwachten.

De dokter denkt uiteraard ook aan zijn eigen genoegens. Hij bezit een tabaksconfoor en een coffijkan en twee snuijters en een een coffij molentje. Een snuiter is een voorwerp om de verbrande lont van een kaars in te korten en een tabaksconfoor (nu komfoor) is een bakje waarin een kooltje zit om een pijp mee aan te steken. Je kon er ook een brandende pijp in leggen.

De erfgenamen van Nicolaes Eijmberts en Dirck Otterinck verkopen op 4 november 1750 aan Arnoldus van Asten, een huis, bakhuis, schuur, schop en tuin in de Nieuwlandstraat. Dat pand lag op de plaats waar nu de kringloopwinkel van Rijkers en fietsenwinkel Guill van de Ven liggen.

Dit pand komt uit de erfenis van president-schepen Dirck Otterinck.

Tot zover de wederwaardigheden van Nicolaes Eijmberts voorzover die te achterhalen zijn.

Een partij flesjes soo leedige als met medicijnen
Een partij drooge medicijne en kruijden
twee hondert en drie en dartig boecken soo folianten
quartalen, en octavie, sijnde Latijnse, franse en
duijtse



zaterdag 31 januari 2026

Malaria in Tilburg in 1727-1730

Dit verhaal begint met een enkele verklaring die Willem Clijssen en Gijsbert Jan Melis afleggen op 8 november 1727 ten behoeve van de soldaat Norbartus Willem Roeters. Deze Nobert Roeters is ongeveer vijf weken daarvoor naar het huis van zijn vader aan de Heikant in Tilburg gekomen omdat zijn vader al twee weken ziek was en er voor zijn leven gevreesd werd. Op het moment dat deze verklaring wordt opgeschreven kon Norbert nog niet terug naar zijn garnizoen. Dit lijkt een op zichzelf staand bericht te zijn. Maar niets is minder waar.

In de vergadering van het dorpsbestuur op 15 november 1728 komt een alarmerende verklaring van de medicine doctors van Tilburg ter sprake, die al op 30 augustus is opgesteld.
De verklaring is ondertekend door Eijmberts med: doct:, W. Mutsaars med: doct:.
18de eeuwse doctor (arts)
Zij verklaren dat in de afgelopen twee à drie maanden zo veel inwoners ziek zijn geworden, dat een kwart van hen niet kon worden bedient. Deze ziekte veroorzaakt een driemaal hogere sterfte dan normaal is. Als iemand in een gezin of familie besmet raakt, dan raakt nagenoeg iedereen in het gezin of familie besmet en maar wijnige van die vrij gaan. De patienten die niet aan de ziekte overlijden hebben een langen tijt nodig om te herstellen. De personen die vorig jaar ziek zijn geworden zijn tot nu toe nauwelijks hersteld. Deze herstellende zieken worden nu opnieuw door die ziekte geattaqueert. en de meeste van hen  overlijden aan de ziekte. De geneesheren verklaren dat er in vele van de geheugten (herdgangen) qualijck een gezont mens of is, zoals aan de Berkdijk, Laar, Postelstraat etc. De situatie is zo urgent dat de inwoners uit de ergst getroffen herdgangen mensen van elders moeten halen en vragen of zij hun doden naart kerkhoff brengen. De ziekte blijft maar aanhouden die steeds erger en quaataardiger wort.
Zij wijzen er ook op dat de jammer en ellende met geen penne is te beschrijven, die alhier bespeurt wert, door de groote armoede daar dese plaats door de continuale siekte van verleden jaar tot nu toe, in is gecomen.

Omdat de verklaring al anderhalve maand geleden is opgesteld geven de doctors nog een update. De epidemie is nauwelijks vermindert maar vraagt nog dagelijks slachtoffers. Volgens de artsen verergert de epidemie oock dat die menssen die toens siek waaren, tot nogh opheden niet herstelt sijn. Veel patienten houden er een febris tertiana, off quartana continua (derdedaagse koorts of vierdedaagse koorts) aan over en anderen waterzucht. Die waterzucht heerste in Tilburg in 1727 en veel inwoners zijn daar nog niet van hersteld. Bovendien maakt de nu heersende tertiana continua dat deze nog verzwakte inwoners sneller besmet raken van welke de meeste gestorven zijn en noch dagelijcx veele sterven
den dartigsten augustij seventienhondert achten
twintig ende waaren ondertekent, N: Eijmberts
med: doct: W. Mutsaars med: doct:
Nicolaas Eijmberts richt nog een verzoekschrift aan de Raad van State waarin hij vraagt om een tegemoetkoming in de extra kosten die hij heeft gemaakt tijdens deze uitbraak van malaria. De dorpskas kan dat financieel blijkbaar niet bolwerken.

Er zijn meer verklaringen van zieke soldaten. Francis de Bont laat dokter Eijmberts verklaren dat hij op 28 augustus 1728 alhier seer gevaerlijck sieck is geworden aen een febris tertiana. Daar heeft hij nu een febris quartana continua aan over gehouden. Aan die ziekte lijden nog veel meer mensen in Tilburg. Er zijn gevallen bekend dat 'sommige die sig te vroeg op de reijs begeven hadden, onderweegen sijn gestorven'. Zij die het hebben doorstaan 'sijn tot noch toe niet herstelt', waardoor 'noch verschijde andere soldaten hier sijn die dese winter onmogelijk niet in haere guarnisoene sullen connen comen vermits de swacheijt, en gans geen coude connende verdragen'. Deze ziekte maakt veel slachtoffers die langdurige klachten houden. Hun genezing laat lang op zich wachten.

Medicine doctor Walterus Mutsaers verklaart op 2 maart 1729 dat Adriaen van Bosch vanaf St. Jan ziek is geweest en nog steeds last heeft van eene quotidiana continua.' En nog op 23 maart 1730 geeft Nicolaes Eijmberts een verklaring af dat hij een bewoner van huize Moerenburg heeft bezocht, namelijk Johan Lowies de Sint Amand, die vaandrig is in het regiment van Kolonel De Vilattes in garnizoen in Ieper. Hij heeft een ernstige ziekt opgelopen in dat garnizoen en het is voor hem onmogelijk om naar buiten te gaan, te reizen of naar zijn garnizoen te gaan.

Deze verklaringen laten zien dat de ziekte in ieder geval van 1727 tot in maart 1730 in Tilburg heeft huis gehouden. De symptomen die de artsen beschrijven en de benaming daarvan lijkt op de ziekte Malaria.

Malaria werd in vroeger tijden ook wel moeraskoorts genoemd of polderkoorts. Malaria kwam regelmatig voor in Europa met name in de warmere delen waar moerassen lagen. In het stilstaande water kunnen insecten zoals muggen makkelijk eitjes leggen. De muggen brengen de ziekte over op mensen door hen te steken.

In de medische wereld staat deze ziekte bekend als een dobbelde quaataardige rotte, en besmettelijcke tertiana.  In de documenten staat de ziekte vaak omschreven als febris tertiana, off quartana continua (derdedaagse koorts of vierdedaagse koorts). Dat zijn terugkerende koortsaanvallen, iedere drie of iedere vier dagen. Die herhaalde koortsaanvallen putten het lichaam langzaam uit.

Ook in andere plaatsen in de Nederlanden heerst een ziekte die erg lijkt op malaria. 
In deel 5 van Buisman, p.542-543 en 544, schrijft hij dat in 1727 in Hoorn sprake was van een erg warme zomer met dagelijks onweersbuien, Veel mensen zijn ziek, ze lijden aan derde- en vierdeaagse koorts, soms zijn er wel 10 of zelfs 14 sterfgevallen per etmaal. De sterfte houdt aan tot in april 1728. In Amsterdam zijn in 1727 13.775 personen overleden, 4520 meer dan in 1726. De week met de meeste overledenen was tussen 26 oktober en 1 november 1727. Parallel met Tilburg.
(Buisman deel 5 pagina 551)

Om te kijken of er daadwerkelijk een uitzonderlijk hoge sterfte was in 1727 en 1728 pakken we de sterftecijfers in de jaren daar omheen er bij.

In 1725 zijn er 282 en in 1726 240 begravenen. Dat stijgt in 1727 naar 375 personen (volwassenen en kinderen) die zijn begraven op het Tilburgse kerkhof. Dat is al een behoorlijk toename ten opzichte van de voorafgaande jaren van rond de 50%. 
In 1728 zijn er 523 Tilburgers begraven dat zijn er 148 meer dan in 1727, een toename van 40%. In 1729 waren er 418 begravingen op het kerkhof , zo'n 4 % meer dan in 1727. In de jaren daarna blijft het getal overledenen redelijk hoog. 1730 bedroeg het 331, in 1731 364 en in 1732 407. Dat komt waarschijnlijk omdat de ziekte blijft 'hangen' en de patienten er maar moeilijk van genezen.


        1725: 147/135 = 282
        1726: 121/119 = 240
        1731: 226/138 = 364
        1732: 228/179 = 407

Bronnen:
Archief 15, Doop-, trouw en begraafboeken Tilburg & Goirle, 1600-1810.
J. Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 5 1675-1750 (Franeker, 2006)

woensdag 31 december 2025

De pastorie in de Kreitenmolenstraat in Udenhout


De oude pastorie achteraan in de Slimstraat
Toen Udenhout in 1722 eindelijk een zelfstandige parochie werd was er geen directe noodzaak om een pastorie te gaan bouwen. De eerste pastoor Elias Robben was van eigen bodem en kon door zijn goede plaatselijke contacten een waardig onderkomen vinden in een gebouw op het terrein van het huidige kasteel de Strijdhoef. 
Als hij in 1765 het pastoorschap eraan geeft volgt één van zijn kapelaans hem op. Het is de geboren Bosschenaar Jacobus Watrin (ook Watering) die al langere tijd kapelaan was in de parochie.
Hij kwam blijkbaar uit een welgestelde familie want zijn moeder kocht vanaf 1756 enkele hoeven in Udenhout. Als eerste in 1756 in de Knijperij, in 1761 een hoeve bij de Kuil en in 1763 een hoeve van de Heilige Geest van ’s-Hertogenbosch op het Hooghout. Ook kocht zijn moeder een hoeve achter aan de Slimstraat, waar de pastoor ging wonen en die daardoor later de naam “de oude pastorie” heeft gekregen. 

Na het overlijden van pastoor Watrin in oktober 1786 kwam op 14 december Lambertus van den Boome als pastoor in Udenhout terecht. Hij had kennelijk een minder kapitaalkrachtige achtergrond en zag zich genoodzaakt een huis te gaan zoeken om zijn pastorie in te vestigen. Hij kon zich weliswaar aanvankelijk vestigen in de “oude pastorie” maar zocht een permanente oplossing. Nu kwam het op de vrijgevigheid van zijn parochianen aan op welke termijn hij een eigen pastorie kon gaan bouwen. Hij ging voortvarend aan de slag waardoor het kerkbestuur van de Roomse gemeente van Udenhout, vertegenwoordigd door Miggiel Pijnenburg en Jan van Strijdhoven, al op 3 februari 1787 een perceel akkerland van 3 lopen kocht, van Francis Joost Maas. Het kostte de parochiekas 815 gulden en 15 stuivers. De verkoop vond plaats onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de verkrijger verplicht was op dit perceel te bouwen een huijsing welke zal moeten dienen tot wooning voor den Roomsch Pastor inder tijd in Udenhout zijnde.

De pastorie die pastoor van den Boome liet bouwen aan
de Kreitenmolenstraat op de plaats waar later St. Felix zou staan 
De kas van de roomse gemeente was blijkbaar nagenoeg leeg. De regent en kerkmeester lieten namelijk meteen bij het transport van de grond een schuldbekentenis opmaken door de Oisterwijkse schepenbank. De schuld bedroeg 800 gulden waar een jaarlijkse rente van 3 procent over moest worden betaald aan schuldeiser Francis Maas. Volgens een notitie van pastoor Van Eijl in het memoriaal was de schuld in 1795 afgelost.
De eerste steenlegging volgde ook heel snel. De steen is bewaard en daarop staat de datum 28 april. Aangezien de pastorie in 1789 in gebruik is genomen moet de bouw in 1788 meteen ter hand zijn genomen.

In 1803 kocht de Roomse gemeente van Cornelis Arnoldus den Ouden een reepje grond, 1 1/2 voet à 2 voeten, te Udenhout omtrent de Kruisstraat, langs de westen hof hegge van de pastorie precies van het buitenste de palen na het westen van de twee poortjes aldaar gezet en waar ook de keien liggen, gaande aldus van het zuidwesten in een rechte lijn door naar het noordoosten tot aan de gemene straat, voor de som van 19 gulden. De verkoper reserveerde het noodzakelijk gebruik van het noordoostelijk poortje en het weggetje tussen de genoemde hofheg en de gevel van het huis, alsmede de schuur achter voorschreven huis, hetzij om aldaar zo ver die gevel ligt te bouwen of om noodzakelijke reparaties aan dak of muur te doen, zonder daarbij de heg te beschadigen.

Deze pastorie bleef dienst doen tot aan de bouw van de huidige pastorie naast de nieuw gebouwde waterstaatskerk. De eerste steen voor deze pastorie werd gelegd op 31 mei 1860. Een jaar later kon de pastoor van Udenhout zijn nieuwe woning in gebruik nemen.
De oude pastorie werd in 1929 afgebroken voor uitbreiding van Sint Felix.

De oude pastorie aan de Kreitenmolenstraat kreeg een andere bestemming. Het was pastoor Petrus Verschuure die meteen na de bouw van de nieuwe kerk geld en grond regelde om tot de oprichting van een Zusterhuis te komen, waar onderwijs der vrouwelijke jeugd en verpleging van kranken en ouden van dagen kon plaatsvinden.
Tijdens het pastoraat van Felix Cuijpers zag het Liefdegesticht het levenslicht en de zusters van het moederhuis te Tilburg namen op 22 oktober 1862 bezit van de oude pastorie. Het gebouw kreeg in de loop der tijd diverse uitbreidingen en het kreeg de naam van de oprichter: Felixgesticht. In dat pand hebben generaties Udenhoutse meisjes onderwijs gekregen en konden zieken en bejaarden de nodige zorg ontvangen.
De veranderende tijden maakte dat de onderwijsvoorzieningen langzaamaan uit het gebouw verdwenen en elders in het dorp een nieuwe plaats vonden zoals kleuterschool “Het Fonteintje” aan de Koestraat en de basisschool die nieuwe huisvesting kreeg in de uitbreidingswijk Achthoeven. Uiteindelijk bleef er aan de Kreitenmolenstraat alleen nog een bejaardenoord over voor kloosterzusters van de Zusters van Liefde. Toen ook dat in 1991 uit Udenhout verdween bleef het gebouw nog tot in 1995 behouden als asielzoekerscentrum. In dat jaar is het afgebroken en kwamen er op die plaats onder andere seniorenwoningen. Daardoor bleef de gedachte van de pastoors Verschuure en Cuijpers toch nog levend. Ook hield men bij de naamgeving rekening met de historie van deze plaats: Felixhof. 

[Dit artikel is eerder gepubliceerd in Sprokkels 1, Jaarboek van Heemcentrum 't Schoor Udenhout-Biezenmortel, pp 38-40.]

donderdag 18 december 2025

Een nieuw hoogaltaar in de kerk van Tilburg

De Tilburgse grote kerk aan de markt krijgt in 1612 een nieuwe hoogaltaar.

De kerk is in 1595 in brand gestoken en het dorp Tilburg is sinds die tijd bezig met het

herstellen van de schade.

1612 valt in de periode van het 12-jarig bestand (1609-1621), een periode van wapenstilstand tussen Spanje en de Republiek, waardoor er ruimte ontstond voor economische groei en langdurige reparatieprojecten aan het verwoeste kerkgebouw.


Een van de belangrijke onderdelen van het nieuwe interieur van de kerk is het hoogaltaar. De kerkmeesters halen dat altaar uit de provinciehoofdstad. In de rekeningen van het dorp zijn meerdere vermeldingen over het Hoogaltaar te vinden. Waarschijnlijk moeten we dat altaar identificeren met het Hoofdaltaar dat in de literatuur vaker voorkomt. In een vorige blogpost schreef ik al dat het plaatsen van het nieuwe hoogaltaar een heleboel werk vereiste. Daar kwam een tafereel (schilderij) in dat met het houtwerk uit Den Bosch kwam. Henrick Rutthen, van beroep schrijnwerker, heeft het houtwerk van het hoogaltaar gemaakt. Hij krijgt daarvoor betaald door de borgemeester Adriaen Keijser het bedrag van 214 carolus gulden. Hij schrijft de 'bon' eigenhadig en verraadt daarmee dat hij er zijn eigen spelling op na houdt: in kennise der vaerhat (waarheid) so heb ick dijt met mijn aaengehn (eigen) hant onder tekent ende bedanck mij de goede betaelijn (betaling).

De schilder Jan van Oirdt (of Jan van Noort) verzorgt het schilderwerk. De voorstelling die op het hoogaltaar is aangebracht staat in bron: historie van Sint Denijs, patroen deser kercke, ende den Edelen Ridder ende Martelaer Sint Jooris. Dat kost 400 gulden.


De schilder mr Jan van Noort (of Oirdt) woont op dat moment in 's-Hertogenbosch. Hij is de kleinzoon van bouwmeester Jan van Noort uit Utrecht. Zijn grootmoeder is de dochter van de bouwmeester van de Sint Jan in 's-Hertogenbosch. Hij woont in ieder geval sinds 1573 in het huis Den Gulden Arent, huidig adres Kerkstraat 18 in Den Bosch, naast de Grote Kerk.


Meerdere voermannen zijn ingeschakeld om het hoogaltaar, waarschijnlijk in delen, naar Tilburg te krijgen: Handrick Anthonis Cauwenberghs, Herman Mijssen en Wouter Cornelis de Ruijter. Zij rijden in 1611 naar Den Bosch om de materialen voor het hoogaltaar op te halen, evenals de timmerlieden en de schilder met hun materiaal. Die rit kostte het dorpsbestuur 35 stuivers voor iedere voerman die daarbij is geweest. Die ambachtslieden moeten natuurlijk ook weer terug naar Den Bosch. Dat kost 2,5 gulden.


De verblijfskosten voor deze lieden zijn vanzelfsprekend voor rekening van het dorp. In de week na Pasen in 1611, (dat viel toen op 24 maart), komt den maelder ofte schilder vanden Bossche die den outaer afgeset heeft. Hij neemt zijn zoon mee en zij hebben overnacht, gebruiken de maaltijd, drinken bier en gebruiken vuur om zich warm te houden. De volgende dag hebben ze samen met Hendrick Rutten, die het hoogaltaar in elkaar zet, en met borgemeester Adriaen Keijser, nog een maaltijd gebruikt en bier gedronken.


Het huidige hoogaltaar in de Heikese kerk.
Het is  in 1699-1700 vervaardigd.
Helaas is er geen afbeelding van het hoogaltaar uit 1612 bewaard. Het hoogaltaar dat nu in de kerk staat is in 1821, bij de bouw van de Waterstaatskerk, aangeschaft. Het is afkomstig uit de St. Jacobskerk in Antwerpen.

Het hoogaltaar staat aan de oostzijde in de kerk en bevat het tabernakel waar de hosties in bewaard blijven. Het altaar is gewijd aan de patroonheilige van de kerk en dat was bij dit altaar ook het geval zoals we hierboven al zagen.


Het hoogaltaar in de Tilburgse kerk krijgt meerdere ornamenten die Anthonis de maelder aanbrengt in 1611. Hij is eveneens afkomstig uit 's-Hertogenbosch. Op 12 december van dat jaar krijgt hij betaald voor het stofferen, pluijmeren ende vergulden des hoogen autaere alsnu binnen derser kercke bestelt sijnde. Dat kost het dorp 70 carolus gulden.


Jan van Noort krijgt een schuldbekentenis van Adriaen Cornelis Keijser, de borgemeester van dienst. De schuld bedraagt 410 carolus gulden die hem als reste competerende voor tschilderen vanden hooghen autaer bij hem binnen Tilborch danckelijck gelevert. Adriaen Keijsers belooft het bedrag op Sinte Martens dach in november ierstcomende te betalen. Die schuldbekentenis is opgemaakt en ondertekend op 24 maart 1612. Dat was precies een jaar na het afleveren van de materialen.

Die termijn haalt de borgemeester niet. Jan van Noort moet zo lang op zijn geld wachten dat hij rente krijgt over de schuld die de borgemeester aan hem heeft. Zijn rekening is pas betaald op 1 juni 1613. Over het verschuldigde bedrag van 410 gulden krijgt hij een rente van 15 gulden.


De carolusgulden bestaat in deze tijd niet meer als fysieke munt maar is nog steeds in gebruik als rekeneenheid. [https://nl.wikipedia.org/wiki/Carolusgulden]


Afbeelding van een gouden Carolusgulden uit 1552.

Lees ook:
Bronnen: