Meer geneijcht wesende tot
bermherticheijt dan tot rigeur van Justicien
Een zoenakte is een bijzondere vorm van
rechtspraak die al in de middeleeuwen
bestond. Het is een vorm van
eigenrichting (zelf voor rechter spelen) die wel
gesanctioneerd diende te worden door
het bevoegd gezag en/of de kerk.
Wat is een zoenakte?
Het woorddeel “zoen” in zoenakte
staat voor verzoening. Een zoenakte is een akte waarin twee partijen
zich met elkaar verzoenen. De partijen onderhandelen met elkaar om
tot overeenstemming te komen en laten dat niet door de rechtbank van
schepenen doen. Daarbij staat de schuldvraag niet ter discussie, die
is heel duidelijk en beide partijen accepteren die ook. Het gaat er
in dit geval alleen om dat er geen veroordeling plaatsvindt door de
rechtbank.
In de meeste gevallen gaat het bij een
zoenakte om moord en/of doodslag.
Waarschijnlijk is doodslag daarbij in
veruit de meeste gevallen de misdaad. Er is iemand om het leven
gekomen en de dader is bekend. In een gemeenschap, zeker als die klein is en als zowel
slachtoffer als dader er deel van uitmaken, zijn (langdurige)
familievetes een hinderlijk fenomeen. We kennen tot in onze tijd het
begrip eerwraak. Dat is niet iets nieuws. Eerwraak kwam (en komt) ook
in onze cultuur voor. Binnen een kleine gemeenschap zorgt dat voor
ernstige ontwrichting. Een (ver)zoen(ing) was een probate oplossing
voor dit probleem.
Wie zaten er aan tafel?
De zoenakten noemen in de meeste
gevallen de hoofdpersonen die bij de onderhandelingen betrokken waren. Dat
betrof in alle gevallen naaste familieleden van het slachtoffer en van de dader,
vaders, broers en zwagers konden deel uitmaken van de
onderhandelingspartij. Er was ook altijd een aantal “wijze mannen”
bij, meestal een of meer priesters en leden van het lokale bestuur
zoals schepenen of andere notabelen. Mannen met gezag, waarin alle
partijen vertrouwen hadden.
Uiteindelijk kwam de uitslag van de
onderhandelingen tussen beide families en vrienden wel tot een
papieren neerslag: de zoenakte. Daarin stond tot in detail beschreven wat beide partijen
overeengekomen waren zodat iedereen wist waar de dader zich aan de te houden had.
Handhaving van deze afspraken was geen probleem aangezien beide
kanten zich er aan verbonden.
Veel voorkomende bepalingen in een
zoenakte
Het belangrijkste onderdeel in een
zoenakte was: hoe houd je de dader weg bij de familie van het
slachtoffer. Daar waren verschillende afspraken voor mogelijk. Om te beginnen werd de dader vaak op
bedevaart gestuurd. Dat kon variëren van een bedevaart in de buurt,
’s-Hertogenbosch of Boxtel, tot een bedevaart naar het verre buitenland, zoals Rome of Santiago de
Compostella in Spanje. De dader moest bij terugkomst een bewijs overleggen dat
hij daar ook daadwerkelijk geweest was. De bedevaart zorgde ervoor dat gedurende
de eerste periode de dader en de familie van het slachtoffer elkaar
niet tegen het lijf liepen wat mogelijk tot een geweldsuitbarsting
kon leiden. Afspraken of niet, de menselijke emotie laat zich niet
altijd leiden door ratio en een overeenkomst.
Als de dader weer terug kwam in het
dorp of niet op bedevaart hoefde waren er nog andere afspraken die het ontmoeten van
de familie van het slachtoffer reguleerden.
De dader werd de toegang tot bepaalde
of alle herbergen ontzegd. In die openbare plaatsen kwam de dorpsgemeenschap
elkaar natuurlijk het meest tegen. Als de dader in de herberg
aanwezig was moest hij die verlaten als de familie en/of vrienden van
het slachtoffer die herberg wilden betreden. Zag hij dat de familie
en vrienden van het slachtoffer in een herberg aanwezig waren dan
mocht de dader die herberg niet betreden.
Er is vaak sprake van een geldelijke
vergoeding. De (familie van de) dader draait op voor de kosten van de
begrafenis met alles wat daarbij van toepassing kon zijn: de
begrafenis zelf, de kist, de kaarsen, de etenswaren e.d. Soms is er
een geldelijke vergoeding voor het berokkende leed, dat wat wij nu
smartengeld noemen. Dat komt echter niet zo vaak voor. De (familie
van de) dader moet regelmatig een offer brengen in de kerk of kapel
binnen het dorp. Vaak is dat eenmalig.
Voorbeelden van zoenakten in Oisterwijk
en Udenhout
In 1499 komt Willem Goescalcksz te
overlijden door een ongeval veroorzaakt door Wouter Goijaert Jan Goijaerts en
Goossen Gerit Verhoeven. Er volgt overleg door vertegenwoordigers van beide families
en die besluiten o.a. dat Wouter een bedevaart moet houden naar Rome,
naar de kerk van sinte Peters ende Pauwels en hij moet in de kerk van
sint Jans latranen een misse hoeren en op zijn knieën de heilige
trap op te cruyppen in het Lateraans paleis. Van dat alles moet hij
rekenschap afleggen en bewijs overleggen bij terugkomst.
Goossen Gerit Verhoeven wordt een
andere kant opgestuurd. Zijn bedevaart gaat naar Bad Wilsnack in
Brandenburg in Noord-Duitsland. Sinds het eind van de 14de eeuw is
die plaats een bedevaartsoord vanwege de bloedhosties die zich daar
bevinden. Daarna moet Goossen ook nog naar Keulen gaan,
waarschijnlijk naar het graf van de drie koningen in de dom van
Keulen. Bij terugkomst mochten beide
bedevaartgangers 14 dagen in het dorp blijven om verantwoording af te leggen over hun
bedevaart. Daarna moeten zij weer vertrekken en mogen niet in Oisterwijk, Haaren en
Diessen komen. Enkele weken per jaar mogen zij wel thuis komen om te
helpen bij de oogst en werkzaamheden op de boerderij. Voor het
overige moeten zij de familie van het slachtoffer vermijden in
herbergen.
Beide daders moeten 120 gulden betalen
aan de familie van de overledene.
![]() |
| paeijsmakers |
Paeysmakers in 1499
In 1498 of 1499 overleed Jan Henric
Vendics door de handen van Amelis Claes Truyen en Michiel natuurlijke zoon van
Denys Wouters. De betrokken families kiezen uit hun midden paeysmakers
(“vredemakers”) en gaan rond de tafel zitten. Er zit ook een priester bij het overleg, heer Jan
Appels, voor de familie van de overledene. Jan Henric Vendics en zijn
familie woonden waarschijnlijk in Udenhout of in Berkel. De familie had in ieder geval ook
bezittingen in Udenhout.
Als eerste krijgen de daders de
opdracht om driee tortysen te maken, dat zijn kaarsen, met een waarde van een
horensgulden, voor het zieleheil van de overledene. Zij moeten ook geld betalen
om een kruis te plaatsen waar de familie van de overleden het wil
plaatsen. De daders moeten samen drie bedevaarten doen, een naar Rome
naar de Sint Pieter, een naar het heilige bloed van Wilsenaken (Bad
Wilsnack in Noord-Duitsland) en naar de Drie koningen in de dom van
Keulen. Zij mogen deze bedevaarten ook door iemand
anders laten doen of een van hen mag dat doen. Er moet bewijs geleverd
worden van het volbrengen van alle bedevaarten.
De daders mogen drie jaar lang niet in
Udenhout, Berkel, Oisterwijk en Enschot komen en zij mogen niet wonen
in Udenhout, Berkel en Enschot, zolang de vader van de overledene,
Hendrick Vendijck en zijn zoon Marcelis, broer van de overledene, nog
leven.
De beide daders mogen niet in herbergen
komen waar Henric Vendijcs en zijn zoon Marcelis aanwezig zijn en als zij als
eerste in de herberg zijn gekomen, moeten ze weggaan als vader en zoon Vendijcs daar
binnen komen. Tot slot moeten de daders en hun vrienden 60 gulden betalen aan
de familie van het slachtoffer. De eerder genoemde Marcelis is gewond geraakt in
hetzelfde gevecht waarin zijn broer overleden is en krijgt daar 12 gulden
voor betaald door de daders.
Bermherticheijt in 1602
Op 3 mei 1602 doodt Gijsbert Stevens
van Gemonden de vrouw van Adriaen Aert Thonissen, genaamd Cornelia, dochter
van Jan Willems Verschueren. De familie van haar echtgenoot had meerdere landerijen
in Udenhout in bezit op het Winkel en bij de Gommelsestraat. Deze zoenakte
beschrijft heel gedetailleerd wat de dader moest doen aan publieke boetedoening.
Op 1 juni 1602 vindt er in de kerk van
Oisterwijk sekeren dach van soene plaats waarbij o.a. heer Jan
Roompot, priester en kapelaan in de kerk van Helvoirt, Jan Adriaens
van Roij en Adriaen Peter Janssen aanwezig waren. Op 28 juni
daaropvolgend vindt de bijeenkomst plaats waar schepenen van
Oisterwijk de zoenakte opstellen in aanwezigheid van Adriaen Aert
Thoniss, weduwnaar van de overleden Cornelia, Jan zijn zoon, mede uit
naam van zijn broer Aerd en Jenneken en Adriana, zijn zusters. Zij
vertegenwoordigen de naeste vrienden ende magen van bloets wegen van
Cornelia. Tijdens de bijeenkomst van 1 juni zijn op voorspraak van de
genoemde heren en goede mannen de vrienden van de overleden Cornelia
meer geneijcht wesende tot bermherticheijt dan tot rigeur van
Justicien. Dat houdt in dat zij den voirscreven misdadiger t
voorscreven ongeval en nederslach om goidstwille ende vuijt gracien
hebben vergheven. Zij schenken de dader vergiffenis, maar wel tegen
een prijs:
1. De dader betaalt 6 karolus gulden
voor 30 missen ten behoeve van de overledene in de kerk van Oisterwijk.
2. Hij betaalt twee karolus gulden voor
reparatie van de kerk van Oisterwijk.
3. De dader moet in de kerk van
Oisterwijk verschijnen bervoets ende bloots hooffs met een brandende wassen kersse van
eenen ponde in sijne handen en hij moet tijdens de hoogmis voor het altaar van
het heilige kruis midden in de kerk op zijn knieën vallen en bidden voor de ziel
van de overledene.
4. na diezelfde hoogmis moet hij met de
kaars naar het graf van de overledene gaan en daar, terwijl de vrienden van de
overledene achter het graf staan, op zijn knieën vallen, zijn misdaad bekennen
en voor God en de vrienden van de overleden om vergiffenis vragen.
5. Hij moet daar blijven alsoe in oot
moedicheijt sitten tot dat hem oirloff sall wordden gegeven op te staen ende alsdan mette
voirscreven kersse te gaen voirden altaer vanden Edele heijlige Sacramant om de
kaars daar te offeren en te laten staan.
6. De dader moet op bedevaart naar het
heijlich bloet tot Boxtel, op een zondag in zijn kleren met een wassen kersse in
zijn handen en hij moet in het midden van de kerk voor het hoogen choir soe lange de
hooch misse dueren sal zitten bidden om vergeving. De pastoor van Boxtel moet
hem bewijs meegeven dat hij dit ook daadwerkelijk gedaan heeft.
7. De dader betaalt aan de weduwnaar en
zijn gezin 50 karolus gulden voor de kosten van de uitvaart en begrafenis en
nog 25 soenguldens binnen zes weken. De dader is echter zo arm dat hem die
betaling wordt kwijtgescholden en in plaats daarvan moet hij 10 gulden betalen.
8. De dader mag 10 jaar lang niet in de
vrijheid van Oisterwijk komen. Doet hij dat wel dan moet hij alsnog de volledige
som die hem is kwijtgescholden betalen.
9. De dader moet te allen tijde de
familie en vrienden van de overleden vuijt hennen oogen te gaen, in huizen, landerijen op
straten en wegen, waar dan ook.
Nederslach in 1616
In 1608 doodde Adriaen sone Adriaen
Adriaenss van Tilborch tijdens een ongevall ende nederslach Joost, de zoon van
Lambert Robbert Leijnen. De families Leijnen (ook van de Plas en Robben genaamd) en
Van Tilborch woonden op de grens van Berkel en Udenhout, deels in de
Zeshoeven. Pas in 1616 wordt de zoenakte opgesteld. Waarom dat zo lang heeft
geduurd is niet bekend. Voor de misdadiger spraken tijdens meerdere dagen van
soenen o.a. Gerit Geritss van Broechoven en Adriaen zoon Adriaen Jan Aertssen.
Uiteindelijk weken de gemaakte afspraken niet veel af van de andere beschreven
zoenakte, met uitzondering van twee bepalingen.
1. De misdadiger wordt opgedragen te
offeren voir Sinte Anthonis inde Capelle tot Berckel een wassen kerssen van eenen
pondt.
2. Daarnaast moet hij twee karolus
gulden betalen tot reparatie vande Altaer van sinte Anthonis aldaer.
Het altaar van Sint Anthonis was
waarschijnlijk het altaar van het gilde van Sint Anthonis en Sint Sebastiaan. Mogelijk
was de familie Leijnen actief lid bij het gilde en in ieder geval betrokken bij het
onderhoud van de kapel.
Twee opmerkelijk zoenakten in Udenhout
Adriaen Cornelis Adriaen Berthens doodt
in 1618 Jan Cornelis Adriaen Vermeer. Op 3 april 1618 is er overleg geweest
onder leiding van heer Geldolphus van Rijckel, pastoor van de parochie Oisterwijk, met
onder andere Aert Gerits van Broeckhoven en Willem Adriaen Brekelmans om te
komen tot een verzoening.
Op 4 mei 1618 verschijnen voor
schepenen van Oisterwijk: Jenneke weduwe van de overledene, en met haar Cornelis
Adriaens Vermeer vader van de overledene, Aert en Adriaen broers van de overledene,
Wouter Joosten Vreijssen, Jan (Jacop?) zoon Peter Jan Joosten en Balthasar
Adriaens, zwagers van de overledene. De bepalingen zijn grotendeels hetzelfde
als eerder beschreven met een paar uitzonderingen:
- De dader wordt opgedragen om in de
kerk van Oisterwijk of in de kapel van Udenhout, waar de vrienden van
de overleden dat wensen, drie sielmisse te laten houden;
- De dader betaalt een godspenning van
vier karolus gulden, de helft voor de kerk van Oisterwijk en de helft
voor de cappelle van sinte Lamberts in Udenhoudt opte cruijstraete;
- Hij betaalt de onkosten die de
chirurgijn heeft moeten maken om de overledene te bezoeken. Blijkbaar was het slachtoffer
niet meteen overleden;
- Hij betaalt de weduwe en haar
kinderen 400 karolus gulden in vastgestelde termijnen (in de marge
staan de kwijtingen van die betalingen);
- De dader moet binnen zes weken zijn
huidige woning in de cruijsstraete verlaten. In die straat wonen de meeste vrienden
van de overledene. Hij mag de komende vijf jaar niet in Udenhout wonen en
niet in Haaren. Hij mag alleen zijn schuur gebruiken tijdens de oogst, maar hij
mag er verder niet werken of land bewerken;
- De misdadiger mag de komende vijf
jaar niet ter kerke gaan in de capelle opte cruijstrate, maar wel in de
parochiekerk van Oisterwijk en de kapel van Berkel of elders.
Later blijkt dat de dader niet is
vertrokken uit zijn woning en daarom vindt er opnieuw overleg plaats dat op 23 oktober leidt
tot een aanpassing van de zoen. De dader mag tot mei 1619 in zijn huis blijven
wonen. Daarna moet hij vertrekken, maar dat mag ook een woning zijn
in de Houtsche straat of in den Biezenmortel zijn.
Schepenen van Oisterwijk verklaren dat
in het jaar 1649 seker ongeluck ende manslach heeft plaatsgevonden in de
persoon van Jan Adriaen Cornelis Berthens, jongeman, door Jan zoon Adriaen van den
Boer, jongeman. Deze eerste Jan is de zoon van Adriaan Cornelis Adriaan
Bertens en Adriana Willem Brekelmans, gedoopt op 9 september 1627 in de kerk van
Oisterwijk. De zoon dus van de persoon die in 1618 Jan Cornelis Adriaen Vermeer heeft
gedood. Toch sprake van een late wraakactie? Dat wordt uit de documenten
niet duidelijk. De beide families sluiten een zoen met
de gebruikelijke voorwaarden.
Tot slot
Deze bijzondere vorm van rechtspraak is
eeuwenlang gebruikt. Wanneer de zoenakte uit zwang is geraakt heb ik
niet kunnen achterhalen. Waarschijnlijk zijn de laatste zoenakten in de 17de eeuw
opgemaakt.
[Dit artikel is eerder gepubliceerd in 2015 Sprokkels 13]





Geen opmerkingen:
Een reactie posten