woensdag 31 december 2025

De pastorie in de Kreitenmolenstraat in Udenhout


De oude pastorie achteraan in de Slimstraat
Toen Udenhout in 1722 eindelijk een zelfstandige parochie werd was er geen directe noodzaak om een pastorie te gaan bouwen. De eerste pastoor Elias Robben was van eigen bodem en kon door zijn goede plaatselijke contacten een waardig onderkomen vinden in een gebouw op het terrein van het huidige kasteel de Strijdhoef. 
Als hij in 1765 het pastoorschap eraan geeft volgt één van zijn kapelaans hem op. Het is de geboren Bosschenaar Jacobus Watrin (ook Watering) die al langere tijd kapelaan was in de parochie.
Hij kwam blijkbaar uit een welgestelde familie want zijn moeder kocht vanaf 1756 enkele hoeven in Udenhout. Als eerste in 1756 in de Knijperij, in 1761 een hoeve bij de Kuil en in 1763 een hoeve van de Heilige Geest van ’s-Hertogenbosch op het Hooghout. Ook kocht zijn moeder een hoeve achter aan de Slimstraat, waar de pastoor ging wonen en die daardoor later de naam “de oude pastorie” heeft gekregen. 

Na het overlijden van pastoor Watrin in oktober 1786 kwam op 14 december Lambertus van den Boome als pastoor in Udenhout terecht. Hij had kennelijk een minder kapitaalkrachtige achtergrond en zag zich genoodzaakt een huis te gaan zoeken om zijn pastorie in te vestigen. Hij kon zich weliswaar aanvankelijk vestigen in de “oude pastorie” maar zocht een permanente oplossing. Nu kwam het op de vrijgevigheid van zijn parochianen aan op welke termijn hij een eigen pastorie kon gaan bouwen. Hij ging voortvarend aan de slag waardoor het kerkbestuur van de Roomse gemeente van Udenhout, vertegenwoordigd door Miggiel Pijnenburg en Jan van Strijdhoven, al op 3 februari 1787 een perceel akkerland van 3 lopen kocht, van Francis Joost Maas. Het kostte de parochiekas 815 gulden en 15 stuivers. De verkoop vond plaats onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de verkrijger verplicht was op dit perceel te bouwen een huijsing welke zal moeten dienen tot wooning voor den Roomsch Pastor inder tijd in Udenhout zijnde.

De pastorie die pastoor van den Boome liet bouwen aan
de Kreitenmolenstraat op de plaats waar later St. Felix zou staan 
De kas van de roomse gemeente was blijkbaar nagenoeg leeg. De regent en kerkmeester lieten namelijk meteen bij het transport van de grond een schuldbekentenis opmaken door de Oisterwijkse schepenbank. De schuld bedroeg 800 gulden waar een jaarlijkse rente van 3 procent over moest worden betaald aan schuldeiser Francis Maas. Volgens een notitie van pastoor Van Eijl in het memoriaal was de schuld in 1795 afgelost.
De eerste steenlegging volgde ook heel snel. De steen is bewaard en daarop staat de datum 28 april. Aangezien de pastorie in 1789 in gebruik is genomen moet de bouw in 1788 meteen ter hand zijn genomen.

In 1803 kocht de Roomse gemeente van Cornelis Arnoldus den Ouden een reepje grond, 1 1/2 voet à 2 voeten, te Udenhout omtrent de Kruisstraat, langs de westen hof hegge van de pastorie precies van het buitenste de palen na het westen van de twee poortjes aldaar gezet en waar ook de keien liggen, gaande aldus van het zuidwesten in een rechte lijn door naar het noordoosten tot aan de gemene straat, voor de som van 19 gulden. De verkoper reserveerde het noodzakelijk gebruik van het noordoostelijk poortje en het weggetje tussen de genoemde hofheg en de gevel van het huis, alsmede de schuur achter voorschreven huis, hetzij om aldaar zo ver die gevel ligt te bouwen of om noodzakelijke reparaties aan dak of muur te doen, zonder daarbij de heg te beschadigen.

Deze pastorie bleef dienst doen tot aan de bouw van de huidige pastorie naast de nieuw gebouwde waterstaatskerk. De eerste steen voor deze pastorie werd gelegd op 31 mei 1860. Een jaar later kon de pastoor van Udenhout zijn nieuwe woning in gebruik nemen.
De oude pastorie werd in 1929 afgebroken voor uitbreiding van Sint Felix.

De oude pastorie aan de Kreitenmolenstraat kreeg een andere bestemming. Het was pastoor Petrus Verschuure die meteen na de bouw van de nieuwe kerk geld en grond regelde om tot de oprichting van een Zusterhuis te komen, waar onderwijs der vrouwelijke jeugd en verpleging van kranken en ouden van dagen kon plaatsvinden.
Tijdens het pastoraat van Felix Cuijpers zag het Liefdegesticht het levenslicht en de zusters van het moederhuis te Tilburg namen op 22 oktober 1862 bezit van de oude pastorie. Het gebouw kreeg in de loop der tijd diverse uitbreidingen en het kreeg de naam van de oprichter: Felixgesticht. In dat pand hebben generaties Udenhoutse meisjes onderwijs gekregen en konden zieken en bejaarden de nodige zorg ontvangen.
De veranderende tijden maakte dat de onderwijsvoorzieningen langzaamaan uit het gebouw verdwenen en elders in het dorp een nieuwe plaats vonden zoals kleuterschool “Het Fonteintje” aan de Koestraat en de basisschool die nieuwe huisvesting kreeg in de uitbreidingswijk Achthoeven. Uiteindelijk bleef er aan de Kreitenmolenstraat alleen nog een bejaardenoord over voor kloosterzusters van de Zusters van Liefde. Toen ook dat in 1991 uit Udenhout verdween bleef het gebouw nog tot in 1995 behouden als asielzoekerscentrum. In dat jaar is het afgebroken en kwamen er op die plaats onder andere seniorenwoningen. Daardoor bleef de gedachte van de pastoors Verschuure en Cuijpers toch nog levend. Ook hield men bij de naamgeving rekening met de historie van deze plaats: Felixhof. 

[Dit artikel is eerder gepubliceerd in Sprokkels 1, Jaarboek van Heemcentrum 't Schoor Udenhout-Biezenmortel, pp 38-40.]

donderdag 18 december 2025

Een nieuw hoogaltaar in de kerk van Tilburg

De Tilburgse grote kerk aan de markt krijgt in 1612 een nieuwe hoogaltaar.

De kerk is in 1595 in brand gestoken en het dorp Tilburg is sinds die tijd bezig met het

herstellen van de schade.

1612 valt in de periode van het 12-jarig bestand (1609-1621), een periode van wapenstilstand tussen Spanje en de Republiek, waardoor er ruimte ontstond voor economische groei en langdurige reparatieprojecten aan het verwoeste kerkgebouw.


Een van de belangrijke onderdelen van het nieuwe interieur van de kerk is het hoogaltaar. De kerkmeesters halen dat altaar uit de provinciehoofdstad. In de rekeningen van het dorp zijn meerdere vermeldingen over het Hoogaltaar te vinden. Waarschijnlijk moeten we dat altaar identificeren met het Hoofdaltaar dat in de literatuur vaker voorkomt. In een vorige blogpost schreef ik al dat het plaatsen van het nieuwe hoogaltaar een heleboel werk vereiste. Daar kwam een tafereel (schilderij) in dat met het houtwerk uit Den Bosch kwam. Henrick Rutthen, van beroep schrijnwerker, heeft het houtwerk van het hoogaltaar gemaakt. Hij krijgt daarvoor betaald door de borgemeester Adriaen Keijser het bedrag van 214 carolus gulden. Hij schrijft de 'bon' eigenhadig en verraadt daarmee dat hij er zijn eigen spelling op na houdt: in kennise der vaerhat (waarheid) so heb ick dijt met mijn aaengehn (eigen) hant onder tekent ende bedanck mij de goede betaelijn (betaling).

De schilder Jan van Oirdt (of Jan van Noort) verzorgt het schilderwerk. De voorstelling die op het hoogaltaar is aangebracht staat in bron: historie van Sint Denijs, patroen deser kercke, ende den Edelen Ridder ende Martelaer Sint Jooris. Dat kost 400 gulden.


De schilder mr Jan van Noort (of Oirdt) woont op dat moment in 's-Hertogenbosch. Hij is de kleinzoon van bouwmeester Jan van Noort uit Utrecht. Zijn grootmoeder is de dochter van de bouwmeester van de Sint Jan in 's-Hertogenbosch. Hij woont in ieder geval sinds 1573 in het huis Den Gulden Arent, huidig adres Kerkstraat 18 in Den Bosch, naast de Grote Kerk.


Meerdere voermannen zijn ingeschakeld om het hoogaltaar, waarschijnlijk in delen, naar Tilburg te krijgen: Handrick Anthonis Cauwenberghs, Herman Mijssen en Wouter Cornelis de Ruijter. Zij rijden in 1611 naar Den Bosch om de materialen voor het hoogaltaar op te halen, evenals de timmerlieden en de schilder met hun materiaal. Die rit kostte het dorpsbestuur 35 stuivers voor iedere voerman die daarbij is geweest. Die ambachtslieden moeten natuurlijk ook weer terug naar Den Bosch. Dat kost 2,5 gulden.


De verblijfskosten voor deze lieden zijn vanzelfsprekend voor rekening van het dorp. In de week na Pasen in 1611, (dat viel toen op 24 maart), komt den maelder ofte schilder vanden Bossche die den outaer afgeset heeft. Hij neemt zijn zoon mee en zij hebben overnacht, gebruiken de maaltijd, drinken bier en gebruiken vuur om zich warm te houden. De volgende dag hebben ze samen met Hendrick Rutten, die het hoogaltaar in elkaar zet, en met borgemeester Adriaen Keijser, nog een maaltijd gebruikt en bier gedronken.


Het huidige hoogaltaar in de Heikese kerk.
Het is  in 1699-1700 vervaardigd.
Helaas is er geen afbeelding van het hoogaltaar uit 1612 bewaard. Het hoogaltaar dat nu in de kerk staat is in 1821, bij de bouw van de Waterstaatskerk, aangeschaft. Het is afkomstig uit de St. Jacobskerk in Antwerpen.

Het hoogaltaar staat aan de oostzijde in de kerk en bevat het tabernakel waar de hosties in bewaard blijven. Het altaar is gewijd aan de patroonheilige van de kerk en dat was bij dit altaar ook het geval zoals we hierboven al zagen.


Het hoogaltaar in de Tilburgse kerk krijgt meerdere ornamenten die Anthonis de maelder aanbrengt in 1611. Hij is eveneens afkomstig uit 's-Hertogenbosch. Op 12 december van dat jaar krijgt hij betaald voor het stofferen, pluijmeren ende vergulden des hoogen autaere alsnu binnen derser kercke bestelt sijnde. Dat kost het dorp 70 carolus gulden.


Jan van Noort krijgt een schuldbekentenis van Adriaen Cornelis Keijser, de borgemeester van dienst. De schuld bedraagt 410 carolus gulden die hem als reste competerende voor tschilderen vanden hooghen autaer bij hem binnen Tilborch danckelijck gelevert. Adriaen Keijsers belooft het bedrag op Sinte Martens dach in november ierstcomende te betalen. Die schuldbekentenis is opgemaakt en ondertekend op 24 maart 1612. Dat was precies een jaar na het afleveren van de materialen.

Die termijn haalt de borgemeester niet. Jan van Noort moet zo lang op zijn geld wachten dat hij rente krijgt over de schuld die de borgemeester aan hem heeft. Zijn rekening is pas betaald op 1 juni 1613. Over het verschuldigde bedrag van 410 gulden krijgt hij een rente van 15 gulden.


De carolusgulden bestaat in deze tijd niet meer als fysieke munt maar is nog steeds in gebruik als rekeneenheid. [https://nl.wikipedia.org/wiki/Carolusgulden]


Afbeelding van een gouden Carolusgulden uit 1552.

Lees ook:
Bronnen: