Het gebied dat onderwerp is van onderstaand artikel ligt tussen de huidige Winkelsestraat met als westelijke begrenzing de Gommelsestraat.
In 1698 vond er een omvangrijke verkoop plaats van gemeenschappelijke gronden uit de Haarense gemeint. Eén van de terreinen lag op het Winkel.
De gemeint
De gemeint, ook wel vroente of aard genoemd, is een terrein dat de gemeenschap gebruikt en dat niet in cultuur gebracht is (woeste grond). Geen van de gebruikers is eigenaar van deze "gemene gronden".
Op deze gemeenschappelijke gronden weiden de boeren hun runderen en paarden, de schapen begrazen de heide. De heiplaggen dienen ook als dakbedekking en de gemaaide hei gaat als strooisel de stal in. De bijen kunnen er azen zodat er honing komt; er zijn bouwmaterialen te halen en je kunt er jagen, vogels vangen of brandstof steken in de vorm van turf.
Het strooisel en ander afval komt terecht in de zogenaamde potstal. In dit staltype staan de beesten op een bed van strooisel. Dat vermengt zich in de loop van het jaar met hun ontlasting en dat geheel vormt een pak broodnodige mest. De boer rijdt het verse pakket mest uit over zijn land dat daardoor geschikt blijft om voldoende vruchten voort te brengen. In dat proces speelde de gemeint een belangrijke rol.
De grotere hoeven in Udenhout waar pachters op werkten, hadden vaak hun eigen onontgonnen gronden die zeer waarschijnlijk dezelfde functie vervulden als de gemeint voor de overige boeren. Deze gronden lagen soms aan de landbouwgrond, maar we zien ook dat de hoeven aan de zuidkant van de Groenstraat en Biezenmortelsestraat hun beemden, broekvelden en heivelden ten noorden van die straten hadden liggen.
In de 13de en 14de eeuw geven de hertogen van Brabant (en enkele lokale heren die dergelijke gronden in bezit hadden) deze gemeint uit in gebruik aan de bewoners van de gemeenschappen in hun gebied. De woeste gronden behoren tot de zogenoemde Regalia, de rechten die sinds de Karolingische tijd aan de koning toekomen of die hij zich heeft toegeëigend. Voorbeelden daarvan zijn het jachtrecht, het windrecht en muntrecht. De wildernis vormt ook een regaal en om dat te mogen gebruiken betalen de bewoners een vergoeding. Die vergoeding bestaat uit een zogenaamd voorlijf, dat was een eenmalig bedrag, en een kleiner, een jaarlijks op te brengen bedrag, de cijns. Daarmee garandeert de hertog of lokale heer jaarlijkse inkomsten voor zichzelf en blijft duidelijk wie de eigenaar is.
Er ontstaat op dat moment wel een merkwaardige eigendomsverhouding. De gemeenschap mag de gemeint gebruiken en betaalt daarvoor jaarlijks een bedrag.
De hertog verspeelt op datzelfde moment wel het recht om de grond zelfstandig te verkopen. Van de andere kant mogen de nieuwe gebruikers de gemeint ook niet zomaar verkopen. Daarvoor hebben ze toestemming nodig van de hertog, een zogenaamd octrooi. Op dat moment treedt de hertog weer op als eigenaar. Als er delen van de gemeint worden verkocht, gaat de opbrengst van de verkoop in de kas van de gemeenschap. Maar tegelijkertijd behoudt de hertog zijn recht om er cijns uit te blijven heffen. Zo blijft zijn oude eigendomsrecht min of meer in stand en zijn inkomsten nemen toe.
Het registreren van de hertogelijke inkomsten uit deze cijnzen gebeurt in cijnsboeken. Het uitgestrekte hertogdom Brabant is onderverdeeld in cijnskringen, kleinere, administratieve regio's. Udenhout hoort bij de cijnskring Oisterwijk. De cijnsboeken geven een goed overzicht van de percelen die in de loop der eeuwen in gebruik zijn genomen en de namen van hun eigenaren. De inning van de cijnzen is in handen van een rentmeester. Die moet weten van wie hij de cijnzen moet ontvangen. Het bijhouden van de cijnsboeken was daarom van wezenlijk belang om de inkomsten van de hertog veilig te stellen.
De Haarense gemeint
Op 24 mei 1309 verkoopt Jan II, hertog van Brabant, aan de inwoners van Haaren de gemeint. In deze akte staan de grenzen van het gebied dat als gemeint geldt precies omschreven. Ferdinand Smulders heeft aan deze grensaanduidingen in de Kleine Meijerij een artikel gewijd. Daaruit blijkt zonneklaar dat Udenhout deel uitmaakte van de Haarense gemeint, maar ook (delen van) Helvoirt, Oisterwijk, Berkel, Heukelom en Enschot. De verkoop levert de hertog direct een bedrag van 200 pond op. Tevens regelt de akte dat de gebruikers van de gemeint jaarlijks vijf pond moeten betalen als vergoeding. 
Het gebied van de Winkelse gemeint gezien via Google Earth in maart 2026.
De sporen van de verkopingen uit de 17de, 18de en 19de eeuw zijn nog te herkennen.
In de hertogelijk cijnsboeken van 1340, 1380 en 1448 staat dat de inwoners van Haaren voor het gebruik van hun gemeint het bedrag van 25 oude schilden betalen. Dat zal wel het equivalent zijn van de 5 pond die genoemd staat in de akte van 1309.
(It. vicini de Haren de eorum communitate 25.s. vet.)
In sommige gevallen krijgen personen alsnog rechten in een andere gemeint dan die waar ze eigenlijk toe behoren. In die gevallen ontvangen ze een zogenaamde aardbrief waarmee je dat recht verwerft. Zo zien we dat enkele hoeven in Biezenmortel rechten hebben in de aard of gemeint van Helvoirt. Dat betekent dat de pachters of eigenaren gebruik mogen maken van de gemeenschappelijke gronden van Helvoirt.
Een akte uit 1615 beschrijft waar de Haarense gemeint op dat moment voor gebruikt werd: De gemeijne naegeburen ende ingesetenen vande dorpen ende vlecken van Haren, Udenhoudt ende Berckel hebben samen sekere wilderie ende gemeijnte; zij gebruijcken die wilderie met henne koeijen, perden ende horenbeesten daerop te stouwen ende te weijen; oock henne schapen ende lammeren daerop te drijven, te hueden ende te weijden. Om misbruik van de gemeint te voorkomen zijn er keurmeesters (ook gezworenen genoemd) aangesteld die toezicht houden. In dit geval één voor Haaren en één voor Udenhout en Berkel. De aanstelling van schutters moet ervoor zorgen dat er geen beesten van eigenaren die geen rechten hebben in de gemeint grazen en rondlopen. Deze functionarissen zetten vee dat niet in de gemeint thuishoort vast in een schutskooi. De eigenaar kan zijn beesten daar terughalen na betaling van een passende boete.
De uitgifte van 1698
Er waren meerdere redenen waarom uit de gemeint percelen werden verkocht. Één van de redenen was de behoefte aan nieuwe landbouwgrond. Een groeiende bevolking had meer voedsel nodig en daarom meer productieve grond. Een andere reden was van financiële aard. Vooral oorlogen betekenden een aanslag op de dorpsfinanciën. Om vijandelijke legers op afstand te houden moest men ze afkopen.
Kwamen ze toch in de gemeenschap terecht dan waren het de inkwartieringen of, nog erger, de plunderingen die veel geld kosten. Om de financiën weer op orde te krijgen kon de verkoop van een deel van de gemeint dienen. Met het geld dat de verkoop opleverde konden de tekorten worden aangevuld en leningen worden afgelost.
In het archief van de raad- en rentmeester-generaal der domeinen bevindt zich een register met daarin de verkoop van de gemeint op het Winkel. In het begin van dat register verklaren Jacob Lombaerts en Jan Aert Hendricx Vuchts als borgemeesters van Haaren dat deze verkoop is gebaseerd op een octrooi van 14 maart 1587 dat door de koning van Spanje is verleend en door de Raad van State op 26 februari 1650 is bekrachtigd. In dat octrooi staat dat de opbrengst bedoeld is om de oorlogslasten te bekostigen die zijn ontstaan ten gevolge van de oorlog tussen Spanje en de Republiek der Verenigde Nederlanden.
De borgemeesters van Haaren gaan in 1698 uit hun gemeint verkopen: verscheijde hoecken ende parceelen van hender gemeijnte gelegen binnen de paelen ende limiten in hander caerte gespecificeert ter plaetsen genoemt Carckhooven, Huijckelom, Entschot, Berckel, Udenhout. De kopers moeten daarvoor jaarlijks een bedrag van 4 stuivers per bunder betalen op de gebruikelijke cijnsdag. Voor Oisterwijk en ook Udenhout is dat op St.-Thomasdag apostel: 21 december.
Bij deze verkoop worden meerdere percelen verkocht in verschillende dorpen.
Binnen Udenhout zijn er ook gronden te koop bij de Kreitenmolen. Onder het kopje
Opt Hooghwinckel volgt de opsomming van de percelen die daar verkocht zijn. Elk perceel is één bunder groot. De eigenaren van deze nieuwe erven zijn: Jan Cornelis Breeckelmans (1), Aert Peter Goijaert Heeren (2), Jan Andries Scheijven (3), Jan Jansen Hessels en Anthoni Cornelis Witlocx (4), Zeger Jacob van der Voort (5), Hendrick Jansen Vermeer (6), Dirck Embert Appels (7), Willem en Jacobus Lombarts en Peter Peter Vuchts (8), Adriaen Matthijs Francken (9) en tot slot Cornelis Jan Driessen (10).
![]() |
| Afb. 2. De 10 percelen in de Winkelse gemeint die in 1698 zijn verkocht. |
voetpad dat dwars door de percelen loopt zal ook van oudere datum zijn. Het is
moeilijk voor te stellen dat na de uitgifte een dergelijk voetpad nog kan ontstaan.
De wegen zijn aangelegd om de nieuwe percelen, ook na latere uitgiften, goed
bereikbaar te maken. De weg (B) die deze nieuwe erven van 1698 doorsnijdt zal
voor dat doel zijn aangelegd, evenals de zuidelijke weg (C) langs de percelen. In de beschrijving van de afzonderlijke percelen is geen enkele keer een weg als begrenzing genoemd.
Het gegeven dat de percelen allemaal dezelfde grootte hebben pleit er voor dat de
centrale rechte weg (B) meteen bij de uitgifte in 1698 is vrijgehouden en kort daarna
is aangelegd. Anders zouden de eigenaren van de aangrenzende percelen een deel
van hun grond hebben moeten afstaan. Daarvan zijn geen bronnen te vinden.
In drie verkopingen uit de gemeint van latere datum zijn even zovele percelen
verkocht die gelegen waren naast percelen uit de uitgifte van 1698.
In 1726 kocht Jenneke Bouwens, de weduwe van Jan Cornelis Brekelmans, een
stuk erf van 4 lopen naast het perceel dat wijlen haar man in 1698 had gekocht (nr.
1). Dat nieuwe perceel kostte haar 3 stuivers cijns per jaar.
In 1739 kocht Cornelis Jan Cornelis Jan Martens een perceel heiveld van 2 lopen en
30 roeden. Dat lag boven het perceel dat in zijn bezit was gekomen in 1737 na
aankoop van Cornelis Jan Hessels. (de bovenste helft van nr. 4). Waarschijnlijk is
toen ook het weggetje vanaf zijn woning aan het Winkel aangelegd, dat rechtstreeks
naar zijn nieuw verworven grond liep.
Op 30 maart 1752 gaf Philip Willem de Schmeling, raad en rentmeester generaal der
domeinen van Brabant in het kwartier van 's-Hertogenbosch, toestemming aan Adriaen Cornelis Roosen om van de gemeint van Udenhout, geheten op het Winkel, een perceel van 2 lopen in gebruik te nemen. Hij mocht op dat perceel een hutje of huisje bouwen voor zichzelf en zijn vrouw en kinderen en moest daarvoor jaarlijks betalen aan de domeinen van Brabant een gewincijns van 1 stuiver.

Afb. 3. Kaart situatie 1752: Jenneke Bouwens, weduwe Jan Cornelis Brekelmans (1726),
Cornelis Jan Cornelis Jan Martens (1739) en Adriaen Cornelis Roosen (1752)
Als Udenhout in 1803 een zelfstandige gemeente wordt is het noodzakelijk de grenzen van de Haarense gemeint vast te stellen. Dat neemt ongeveer twee jaar in beslag. Op 11 april 1805 zijn de nieuwe grenzen vastgesteld. Het departementaal bestuur van Brabant keurt ze goed op 6 juni 1805.
Namens de nieuwe gemeente Udenhout verkopen Willem Willem van Iersel en
Adriaan Aart Bergmans, als gemachtigden van het gemeentebestuur van Udenhout,
op 3 augustus 1807 gemeentegronden. Het waren in totaal 35 percelen waarvan er
17 in het deel van het Winkel liggen waar dit artikel over gaat. Het zijn de percelen
aan de oost-, noord- en westzijde van de strook die in 1698 is verkocht. Het mag
geen verbazing wekken dat de percelen gekocht zijn door de eigenaren van de
belendende percelen aan de buitenkant van de Winkelse straat.
Twee maanden later, op 14 oktober 1807, verkoopt de gemeente Udenhout de
laatste percelen. Het gaat dan om de zogenaamde voorpotingen van de percelen die
in 1698 zijn verkocht. Het recht van voorpoting betekent dat ingezetenen het recht
hebben om de gemeint voor hun erf tot een zekere afstand te beplanten (bepoten)
met (opgaande) bomen. Dat dient vooral om te voorzien in de behoefte aan
timmerhout aangezien uitgestrekte bossen ontbraken. Met deze verkoop is het hele
gebied in handen gekomen van particulieren.
![]() |
Afb. 4. Kaart situatie 1807:
Jan Laurens Vermeer (1), Gerard Hendrik Heijmans (2), Arnoldus van de Ven (1/4) en Cornelis Frans van de Pas (3/4) (3), Marten Michiel Koolen (4), Cornelia Adriaan Vugts, weduwe Willem Martens (5), Arnoldus Adriaan Vermelis (6), Elisabeth Peter Smeijers, weduwe Hendrik Boudewijns (7), Martinus Hendrik Heijmans (8), Cornelia Adriaan Vugts, weduwe Willem Martens (9), Cornelis Hendrik Heijmans (10), Cornelis Nicolaas van de Pasch (11), Joannes Hendrik van Iersel (12), Petronella Jan de Lepper, weduwe Cornelis Martens (13) Joannes Adriaan van der Schoot (14), Lambert Peter Verhoeven (15). (16) is de voorpoting die in oktober 1807 is verkocht. |
Nawoord
De altijd voortschrijdende techniek stelt ons in staat om met behulp van pasklare software dit soort ontwikkelingen, na intensief bronnenonderzoek, in beeld te brengen. Gevoegd bij de toenemende beschikbaarheid van bronnen op het wereldwijde internet biedt dat de mogelijkheid om het te vergelijken met de situatie nu.
De update in september 2006 van Google Earth, de service van de Google zoekmachine die satellietopnamen van de hele wereld gratis ter beschikking stelt, maakt het mogelijk om hoogwaardige beelden van het Winkel in de huidige perceelverdeling naast de historische plattegrond te leggen. Het is opvallend te zien dat de sporen van de uitgiften uit de 17de, 18de en 19de eeuw voor een belangrijk deel nog steeds herkenbaar zijn, meer dan 300 jaar later.
Afb. 4. Het gebied van de Winkelse gemeint gezien via Google Earth in september 2006. Er zijn nog steeds sporen te zien van de oude verkopingen uit de 17de, 18de en 19de eeuw.
Literatuur:
Asseldonk, M.M.P. van, De meierij van 's-Hertogenbosch, de evolutie van plaatselijk bestuur, bestuurlijke indeling en dorpsgrenzen, circa 1200-1832 (Katholieke Universiteit van Brabant 2002)
Bakker, W. de, 'De Kreitehei en de uitgifte onder Oisterwijk kort na 1800', De Kleine Meijerij, jg. 27 (1976), nr. 4, pp 88-102.
Camps H., Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312, I, ('s-Gravenhage 1979) nummer 778
Iersel, F. van, ‘Udenhoutse boeren in conflict met Helvoirt’, De Kleine Meijerij, jg 53 (2006) nr.4 pp. 125-136
Smulders, F.W., 'De gemeijnte van Haaren', De Kleine Meijerij, jg. 25, (1974), nr. 1, pp. 6-11.
Vera, H.L.M., 'Gemene gronden'. In: J.G.M. Sanders (eindred.), Noord-Brabant tijdens de Republiek der Verenigde Nederlanden, 1572-1795. Een institutionele handleiding.
Archieven:
Brabants Historisch Informatie Centrum
Archief van de raad en rentmeester generaal, inv.nr. 222, 225. Cijnsboeken van Haaren.
Archief van de leen- en tolkamer, inv.nr. 336 – verkochte gemeentegronden tussen 1662 en 1740.
Regionaal Archief Tilburg
Schepenbank Oisterwijk, algemeen protocol, inv.nr. 440, f.36v-42, 3 augustus 1807; f.55-62, 14 oktober 1807; inv.nr. 421, f.169v-170, 30 maart 1752.
Websites:
Van de hertogelijke cijnsboeken zijn de transcripties (van de hand van Wim de Bakker) te vinden op de website van de Kleine Meijerij:
http://www.do.nl/heemkunde/Bronnen/hertogelijk_cijnsregister/1340 oisterwijk.htm
http://www.do.nl/heemkunde/Bronnen/hertogelijk_cijnsregister/1380 oisterwijk.htm
http://www.do.nl/heemkunde/Bronnen/hertogelijk_cijnsregister/1448 oisterwijk.htm
http://earth.google.com/

