zaterdag 31 januari 2026

Malaria in Tilburg in 1727-1730

Dit verhaal begint met een enkele verklaring die Willem Clijssen en Gijsbert Jan Melis afleggen op 8 november 1727 ten behoeve van de soldaat Norbartus Willem Roeters. Deze Nobert Roeters is ongeveer vijf weken daarvoor naar het huis van zijn vader aan de Heikant in Tilburg gekomen omdat zijn vader al twee weken ziek was en er voor zijn leven gevreesd werd. Op het moment dat deze verklaring wordt opgeschreven kon Norbert nog niet terug naar zijn garnizoen. Dit lijkt een op zichzelf staand bericht te zijn. Maar niets is minder waar.

In de vergadering van het dorpsbestuur op 15 november 1728 komt een alarmerende verklaring van de medicine doctors van Tilburg ter sprake, die al op 30 augustus is opgesteld.
De verklaring is ondertekend door Eijmberts med: doct:, W. Mutsaars med: doct:.
18de eeuwse doctor (arts)
Zij verklaren dat in de afgelopen twee à drie maanden zo veel inwoners ziek zijn geworden, dat een kwart van hen niet kon worden bedient. Deze ziekte veroorzaakt een driemaal hogere sterfte dan normaal is. Als iemand in een gezin of familie besmet raakt, dan raakt nagenoeg iedereen in het gezin of familie besmet en maar wijnige van die vrij gaan. De patienten die niet aan de ziekte overlijden hebben een langen tijt nodig om te herstellen. De personen die vorig jaar ziek zijn geworden zijn tot nu toe nauwelijks hersteld. Deze herstellende zieken worden nu opnieuw door die ziekte geattaqueert. en de meeste van hen  overlijden aan de ziekte. De geneesheren verklaren dat er in vele van de geheugten (herdgangen) qualijck een gezont mens of is, zoals aan de Berkdijk, Laar, Postelstraat etc. De situatie is zo urgent dat de inwoners uit de ergst getroffen herdgangen mensen van elders moeten halen en vragen of zij hun doden naart kerkhoff brengen. De ziekte blijft maar aanhouden die steeds erger en quaataardiger wort.
Zij wijzen er ook op dat de jammer en ellende met geen penne is te beschrijven, die alhier bespeurt wert, door de groote armoede daar dese plaats door de continuale siekte van verleden jaar tot nu toe, in is gecomen.

Omdat de verklaring al anderhalve maand geleden is opgesteld geven de doctors nog een update. De epidemie is nauwelijks vermindert maar vraagt nog dagelijks slachtoffers. Volgens de artsen verergert de epidemie oock dat die menssen die toens siek waaren, tot nogh opheden niet herstelt sijn. Veel patienten houden er een febris tertiana, off quartana continua (derdedaagse koorts of vierdedaagse koorts) aan over en anderen waterzucht. Die waterzucht heerste in Tilburg in 1727 en veel inwoners zijn daar nog niet van hersteld. Bovendien maakt de nu heersende tertiana continua dat deze nog verzwakte inwoners sneller besmet raken van welke de meeste gestorven zijn en noch dagelijcx veele sterven
den dartigsten augustij seventienhondert achten
twintig ende waaren ondertekent, N: Eijmberts
med: doct: W. Mutsaars med: doct:
Nicolaas Eijmberts richt nog een verzoekschrift aan de Raad van State waarin hij vraagt om een tegemoetkoming in de extra kosten die hij heeft gemaakt tijdens deze uitbraak van malaria. De dorpskas kan dat financieel blijkbaar niet bolwerken.

Er zijn meer verklaringen van zieke soldaten. Francis de Bont laat dokter Eijmberts verklaren dat hij op 28 augustus 1728 alhier seer gevaerlijck sieck is geworden aen een febris tertiana. Daar heeft hij nu een febris quartana continua aan over gehouden. Aan die ziekte lijden nog veel meer mensen in Tilburg. Er zijn gevallen bekend dat 'sommige die sig te vroeg op de reijs begeven hadden, onderweegen sijn gestorven'. Zij die het hebben doorstaan 'sijn tot noch toe niet herstelt', waardoor 'noch verschijde andere soldaten hier sijn die dese winter onmogelijk niet in haere guarnisoene sullen connen comen vermits de swacheijt, en gans geen coude connende verdragen'. Deze ziekte maakt veel slachtoffers die langdurige klachten houden. Hun genezing laat lang op zich wachten.

Medicine doctor Walterus Mutsaers verklaart op 2 maart 1729 dat Adriaen van Bosch vanaf St. Jan ziek is geweest en nog steeds last heeft van eene quotidiana continua.' En nog op 23 maart 1730 geeft Nicolaes Eijmberts een verklaring af dat hij een bewoner van huize Moerenburg heeft bezocht, namelijk Johan Lowies de Sint Amand, die vaandrig is in het regiment van Kolonel De Vilattes in garnizoen in Ieper. Hij heeft een ernstige ziekt opgelopen in dat garnizoen en het is voor hem onmogelijk om naar buiten te gaan, te reizen of naar zijn garnizoen te gaan.

Deze verklaringen laten zien dat de ziekte in ieder geval van 1727 tot in maart 1730 in Tilburg heeft huis gehouden. De symptomen die de artsen beschrijven en de benaming daarvan lijkt op de ziekte Malaria.

Malaria werd in vroeger tijden ook wel moeraskoorts genoemd of polderkoorts. Malaria kwam regelmatig voor in Europa met name in de warmere delen waar moerassen lagen. In het stilstaande water kunnen insecten zoals muggen makkelijk eitjes leggen. De muggen brengen de ziekte over op mensen door hen te steken.

In de medische wereld staat deze ziekte bekend als een dobbelde quaataardige rotte, en besmettelijcke tertiana.  In de documenten staat de ziekte vaak omschreven als febris tertiana, off quartana continua (derdedaagse koorts of vierdedaagse koorts). Dat zijn terugkerende koortsaanvallen, iedere drie of iedere vier dagen. Die herhaalde koortsaanvallen putten het lichaam langzaam uit.

Ook in andere plaatsen in de Nederlanden heerst een ziekte die erg lijkt op malaria. 
In deel 5 van Buisman, p.542-543 en 544, schrijft hij dat in 1727 in Hoorn sprake was van een erg warme zomer met dagelijks onweersbuien, Veel mensen zijn ziek, ze lijden aan derde- en vierdeaagse koorts, soms zijn er wel 10 of zelfs 14 sterfgevallen per etmaal. De sterfte houdt aan tot in april 1728. In Amsterdam zijn in 1727 13.775 personen overleden, 4520 meer dan in 1726. De week met de meeste overledenen was tussen 26 oktober en 1 november 1727. Parallel met Tilburg.
(Buisman deel 5 pagina 551)

Om te kijken of er daadwerkelijk een uitzonderlijk hoge sterfte was in 1727 en 1728 pakken we de sterftecijfers in de jaren daar omheen er bij.

In 1725 zijn er 282 en in 1726 240 begravenen. Dat stijgt in 1727 naar 375 personen (volwassenen en kinderen) die zijn begraven op het Tilburgse kerkhof. Dat is al een behoorlijk toename ten opzichte van de voorafgaande jaren van rond de 50%. 
In 1728 zijn er 523 Tilburgers begraven dat zijn er 148 meer dan in 1727, een toename van 40%. In 1729 waren er 418 begravingen op het kerkhof , zo'n 4 % meer dan in 1727. In de jaren daarna blijft het getal overledenen redelijk hoog. 1730 bedroeg het 331, in 1731 364 en in 1732 407. Dat komt waarschijnlijk omdat de ziekte blijft 'hangen' en de patienten er maar moeilijk van genezen.


        1725: 147/135 = 282
        1726: 121/119 = 240
        1731: 226/138 = 364
        1732: 228/179 = 407

Bronnen:
Archief 15, Doop-, trouw en begraafboeken Tilburg & Goirle, 1600-1810.
J. Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 5 1675-1750 (Franeker, 2006)